FAQ - Nieuw omkaderingssysteem in het gewoon basisonderwijs

1. Vragen over de dienstbrief personeelsformatie

 
 

AgODi verstuurt in principe pas een dienstbrief als de basisgegevens voor de berekening redelijkerwijs als juist mogen worden beschouwd. Dat kan bijvoorbeeld als de gegevens van de school geverifieerd zijn, de gekende dubbele tellingen opgelost zijn enz.

Daar is dit schooljaar doelbewust van afgeweken. Het leek belangrijker om scholen zo vlug mogelijk al een eerste berekening voor hun school te bezorgen. Dat is volgens AgODi de beste manier om voor elke individuele school de gevolgen van het nieuwe omkaderingssysteem te concretiseren. Daarom verstuurde AgODi een eerste dienstbrief op 12 april 2012.

Begin juni was de verificatie voor alle scholen afgerond. Tegelijkertijd werden nog een aantal wijzigingen aangebracht aan het nieuwe omkaderingsysteem. Daarom verstuurde AgODi op 14 juni een tweede dienstbrief op basis van de laatst beschikbare gegevens.

 
 

Het ontwerp van decreet heeft op 7 juni 2012 in de Commissie voor Onderwijs en Gelijke Kansen van het Vlaams Parlement een aantal wijzigingen ondergaan die gevolgen hebben. De dienstbrief van 14 juni baseert zich op het ontwerp van decreet zoals het zal worden voorgelegd aan het Vlaams Parlement voor definitieve goedkeuring. Deze wijzigingen zijn: - De aparte telling wordt per gemeente bekeken. - De leerlingen van dunbevolkte gebieden worden aan 1,05 gewogen. - In capaciteitsgemeenten is, onder bepaalde voorwaarden, een hertelling van de lestijden volgens de schalen in het kleuteronderwijs mogelijk. - Onder bepaalde voorwaarden kunnen scholen recht hebben op instaplestijden op de eerste schooldag van september - De coëfficiënten van de SES-kenmerken zijn aangepast om de kosten van bovenstaande punten te compenseren Deze dienstbrief is voor alle scholen gebaseerd op de geverifieerde leerlingencijfers. De gebruikte geoposities zijn deze zoals bekend op 1 juni 2012. Deze dienstbrief bevat daarnaast ook de eventuele lesopdracht directie, eventuele aanvullende en bijkomende lestijden, de puntenenveloppen en de eventuele uren kinderverzorging.

 
 

De dienstbrief van 14 juni mag dan als informatief worden beschouwd. Dat document kan voor de school toch al belangrijke informatie bevatten zoals het al dan niet apart tellen van één of meerdere vestigingsplaatsen. Deze dienstbrief bevat alleen de berekeningen die voortvloeien uit het nieuwe omkaderingssysteem en is gebaseerd op het aantal regelmatige leerlingen die ingeschreven zijn op 1 februari 2012. De omkadering waarvoor niets wijzigt qua berekeningswijze is hier niet opgenomen. Je vindt dan ook geen informatie over de lesopdracht directeur, de aanvullende lestijden voor godsdienst en/of niet-confessionele zedenleer of cultuurbeschouwing, de uren kinderverzorger en de verschillende puntenenveloppen. Je vindt die informatie wel terug op de definitieve dienstbrief die je ten laatste in de maand december krijgt.

 
 

Het gaat om een ontwerpdecreet en moet bijgevolg nog in het Vlaams Parlement en Vlaamse Regering behandeld worden.

 

2. Vragen over de nieuwe basisomkadering

 

 

Zoals al enige jaren voor de werkingsmiddelen het geval is, verdeelt het nieuwe omkaderingssysteem het gros van de omkaderingsmiddelen lineair over de scholen op basis van schoolkenmerken (de lestijden volgens de schalen) en een kleiner deel op basis van leerlingenkenmerken (de SES-lestijden).

Er zijn echter een aantal belangrijke verschillen. Voor de werkingsmiddelen werd 14% van de werkingsmiddelen verdeeld op basis van leerlingenkenmerken (dat percentage loopt tegen 2017 op tot 15,5%). Voor de SES-lestijden is dat 8,85%.

De verdeling voor de werkingsmiddelen gebeurt op basis van vier indicatoren: kinderen van lager opgeleide ouders, kinderen die thuis geen Nederlands spreken, kinderen uit gezinnen met een laag inkomen en kinderen die in een kansarme buurt wonen. De verdeling van de SES-lestijden gebeurt alleen op de eerste drie indicatoren. De indicator ‘kansarme buurt’ is dus niet overgenomen.

Bij werkingsmiddelen wegen de vier indicatoren even zwaar, dus elk 25% van het voorziene budget. Voor SES-lestijden is de verdeling anders: 45% van het voorziene budget gaat naar de indicator ‘opleidingsniveau moeder’, 35% naar de indicator ‘thuistaal niet-Nederlands’, 20% naar de indicator ’schooltoelage’.

 
 

Om recht te hebben op GOK-lestijden moest een school minstens 10% leerlingen hebben die aan één of meer indicatoren voldeden. In het nieuwe systeem is er geen minimumdrempel.

GOK-lestijden werden om de drie jaar berekend. De berekening van de SES-lestijden gebeurt jaarlijks.

GOK-lestijden werden toegekend per school. SES-lestijden worden toegekend per niveau.

Scholen met meer dan 40% GOK-leerlingen en scholen binnen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest kregen extra GOK-lestijden. Nu gebeurt de berekening voor elke leerling op dezelfde manier.

Voor GOK-lestijden telde de indicator ‘thuistaal niet-Nederlands’ alleen in combinatie met een andere indicator. Bij de berekening van de SES-lestijden is ‘thuistaal niet-Nederlands’ een volwaardige indicator.

 
 

De aantallen in verband met de leerlingenkenmerken ‘opleidingsniveau moeder’ en ‘thuistaal niet-Nederlands’ sturen de scholen naar AgODi via de elektronische zendingen. Het Vlaamse ministerie van Onderwijs zamelt zelf de gegevens in over het aantal leerlingen die vorig schooljaar een schooltoelage kregen. Op de dienstbrief staan die gegevens vermeld.

 

3. Geopositionering, afstanden en aparte telling

 

 

In het vroegere systeem telt voor aparte telling de kortst mogelijke afstand langs de rijbaan en wordt er alleen vergeleken met de eigen vestigingsplaatsen van de eigen school die hetzelfde niveau inrichten. De afstand moest minstens twee kilometer bedragen. Elke school gaf die afstanden door aan AgODi via de BAO Algemene Gegevens.

In dit nieuwe systeem berekent AgODi voor alle vestigingsplaatsen de afstand in vogelvlucht. Die moet minstens 1,5 kilometer bedragen ten opzichte van elke andere vestigingsplaats van dezelfde groep die hetzelfde niveau inricht binnen dezelfde gemeente. De verschillende groepen zijn: de scholen van het GO!, de officiële scholen (van de gemeenten en provincies), de vrije katholieke scholen, de vrije protestants-evangelische scholen, de Israëlitische scholen en de vrije niet-confessionele scholen.

De geopositionering gebeurt voor het Vlaams Gewest door het Agentschap voor Geografische Informatie Vlaanderen (Agiv). Je vindt hierover meer uitleg op de volgende site: http://www.agiv.be/gis/projecten/?catid=34

Voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gebeurt de geopositionering door het Centrum voor informatica voor het Brusselse Gewest (UrbIS). Meer informatie vind je via volgende site: http://www.cirb.irisnet.be/core-business-nl/operationele-departementen/diensten/urbis

De vestigingsplaatsen in Brussel hadden tot nu altijd een aparte telling. Nu geldt voor Brussel dezelfde manier van apart tellen als in Vlaanderen.

Voor het bepalen van de dichtstbijzijnde andere vestigingsplaats wordt er steeds gekeken naar de situatie op 1 februari van het voorgaande schooljaar. Dat heeft tot gevolg dat een nieuwe vestigingsplaats in zijn eerste bestaansjaar nooit de aparte telling van een andere vestigingsplaats kan opheffen. Omgekeerd kan de afschaffing van een vestigingsplaats niet meteen zorgen voor een toekenning van een aparte telling aan een andere vestigingsplaats. Alle oprichtingen en afschaffingen hebben dus pas invloed in het tweede schooljaar.

In deze context is ook bepaald dat een nieuwe vestigingsplaats in een school in zijn eerste bestaansjaar nooit een aparte telling zal hebben, ongeacht de ligging. Pas in het tweede bestaansjaar kan er een aparte telling worden toegekend.

 
 

Aangezien de aparte telling alleen binnen de eigen gemeente wordt bekeken, kan het gebeuren dat er geen enkele andere vestigingsplaats is in die gemeente van dezelfde groep die hetzelfde niveau inricht. Voor die vestigingsplaatsen is er dus geen dichtstbijzijnde vestigingsplaats.

 
 

Ja. Voor rationalisatie- en programmatienormen geldt nog altijd de afstand via de rijbaan tot de dichtstbijzijnde vestigingsplaats van een school van dezelfde groep die hetzelfde niveau inricht. Dat kan van belang zijn voor de bepaling van de status van geïsoleerdheid voor de school of de vestigingsplaats.

Die afstand bezorgt de school aan AgODi nog steeds via de BaO Algemene Gegevens.

 
 

De nieuwe benadering van aparte telling heeft geen invloed op de geïsoleerdheid. Voor de bepaling van het al dan niet geïsoleerd zijn van school en vestigingsplaats is er niets gewijzigd.

 
 

Een aanpassing van de positionering kan alleen door Agiv (voor Vlaanderen) of door UrbIS (voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest). Beide organisaties hebben de taak om voor alle infrastructuur een zo exact mogelijke plaatsbepaling te maken die door anderen kan worden gebruikt.

Voor een aantal vestigingsplaatsen heeft Agiv nog geen nauwkeurige plaatsbepaling. In die gevallen is voor de dienstbrief de geopositie gebruikt die het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming in het verleden gebruikte.

Aanpassingen in de positiebepaling van adressen moeten via de gemeente gebeuren. Voor je een aanvraag indient bij de gemeente kan je, als je dat wenst, je schoolbeheerteam contacteren voor verdere informatie.

 
 

Scholen krijgen hierdoor meer beslissingsruimte als het schoollandschap in hun omgeving onverwachts wijzigt.

 
 

4. Additionele lestijden leerling/leerkracht ratio
 

 

Een school heeft recht op additionele lestijden volgens de schalen of voor het niveau kleuter, of het niveau lager, of voor beide, afhankelijk van de leerling/leerkracht-ratio.

Die leerling/leerkracht-ratio bepaalt de verhouding tussen hoeveel lestijden de school krijgt en het aantal leerlingen. Dat is een theoretische oefening: Hoeveel voltijdse leerkrachten kan de school aanstellen met de gekregen lestijden volgens de schalen en SES-lestijden? Hoeveel leerlingen hebben dan elk van deze leerkrachten gemiddeld?

Is die ratio voor een niveau hoger dan 18,5 dan krijgt de school lestijden bij tot het streefgetal van 18,5 is bereikt.

 
 

Neen. De ratio is alleen een manier om te bepalen welke scholen additionele lestijden nodig hebben.

 

5. Lestijden sociale maatregel
 

 

Scholen die volgens het nieuwe omkaderingssysteem lestijden verliezen ten opzichte van het oude berekeningssysteem krijgen onder bepaalde voorwaarden compensatie. Die maatregel geldt per niveau. Het aantal lestijden voor die compensatie wordt éénmalig vastgesteld en is degressief: het eerste jaar 100%, het tweede jaar 2/3, het derde schooljaar nog 1/3.

Deze maatregel kan het best worden verduidelijkt met een voorbeeld.

Stel dat de school in het schooljaar 2011-2012 recht had op 150 lestijden op basis van 100 leerlingen op de teldag. Als de school op de teldag van het schooljaar 2012-2013 opnieuw 100 leerlingen heeft, worden voor het schooljaar 2012-2013 opnieuw 150 lestijden gegarandeerd. Concreet wil dit zeggen: als de school volgens het nieuwe systeem maar 140 lestijden zou krijgen, wordt dat het eerste jaar gecompenseerd tot 150 lestijden, met de beperking dat er pas vanaf de derde lestijd verlies wordt bijgepast. Deze school zal daarom acht lestijden krijgen als compensatie voor het verlies. Voor de volgende twee schooljaren worden deze acht lestijden afgebouwd.

Het kan natuurlijk zijn dat de school stijgt of daalt in leerlingenaantal. In dat geval worden de 150 lestijden via de regel van drie omgezet naar een nieuw theoretisch aantal lestijden.

1) Stel dat dezelfde school nu 106 leerlingen heeft op de teldag voor het schooljaar 2012-2013. Dan berekenen we dat er voor het schooljaar 2011-2012 aan deze school 150 lestijden werden gegeven voor 100 leerlingen. Dat wil zeggen dat er 1,5 lestijden werden gegeven voor één leerling, of ook 159 lestijden voor 106 leerlingen. Concreet is er dus compensatie voorzien tot 159 lestijden. Als er aan deze school 140 lestijden zouden worden toegekend in het nieuwe systeem, zullen er het eerste jaar daarom zeventien lestijden worden bijgegeven als compensatie. Deze zeventien lestijden worden afgebouwd tijdens de volgende twee schooljaren.

2) Stel dat deze school nu 96 leerlingen heeft op de teldag voor het schooljaar 2012-2013. Dan brengt diezelfde regel van drie ons naar 1,5 lestijden voor één leerling of 144 lestijden voor 96 leerlingen. In het geval dat er aan deze school dus opnieuw 140 lestijden werden toegekend in het nieuwe systeem, worden er dus voor het komende schooljaar twee lestijden bijgegeven als compensatie voor het verlies.

 
 

De lestijden sociale maatregel worden nu éénmalig voor de drie schooljaren vastgesteld. Eventuele wijzigingen veranderen niets aan die berekening.