Beslissingen College van Beroep 2017 ( Vrij onderwijs )

2017_07: pdf bestandCollege_van_beroep_GVO_2017_07_dd_20170823.pdf (42 kB)

Feit:

Evaluatie

Beslissing:

Evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende'

Beslissing in beroep:

23 augustus 2017 – De evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' wordt bevestigd.

Procedure en grond van de zaak:

Verzoeker werpt op dat het evaluatieverslag geen beschrijvend verslag is, waarmee een inbreuk wordt gepleegd op art. 47decies,§1, tweede lid en §2 Decreet Rechtspositie van 27 maart 1991, omdat het evaluatieverslag bijzonder kort en in algemene bewoordingen opgesteld is en er geen sprake is van een zorgvuldige beschrijving van het volledige functioneren van betrokkene t.o.v. de functiebeschrijving.

Verzoeker wijst verder op de zeer korte periode van evaluatie en onvoldoende kansen tot remediëring, mede omwille van het feit dat zijn werkpunten de nodige tijd vragen en hij zich bovendien dient aan te passen aan een andere werkcultuur dan hij tot voor kort gewoon was.

Verzoeker vindt in het verslag van het functioneringsgesprek geen concrete afspraken naar timing of prioriteiten terug om hem te ondersteunen in de uitwerking van de punten die aangeduid werden als ‘onvoldoende’.

Verzoeker meent dat het evaluatieverslag niet volledig strookt met de functiebeschrijving en het functioneringsverslag, omdat noch het punt ‘betalingen uitvoeren op de correcte betaaldag’, noch het punt ‘handtekening nabootsen’ werd opgenomen in het Persoonlijk Ontwikkelingsplan van de functiebeschrijving of in het functioneringsverslag en dat dit slechts om eenmalige feiten ging.

Verweerder werpt op dat het evaluatieverslag beknopt, maar op zorgvuldige wijze het volledig functioneren van het personeelslid t.o.v. de functiebeschrijving weergeeft, met inbegrip van de betrokken evaluatieperiode persoons- en ontwikkelingsgerichte doelstellingen bevat en een eindconclusie vermeldt.

Verweerder wijst op de informele gesprekken die plaatsvonden met de eerste en tweede evaluator wat betreft het functioneren van de verzoeker en werpt op dat er tussen het opstellen van de functiebeschrijving en het functioneringsgesprek en het evaluatiegesprek voldoende tijd zat opdat verzoeker zijn functioneren kon aanpassen en/of eventueel de aangehaalde werkpunten tijdens een functioneringsgesprek kon bijsturen. Verweerder meent bovendien dat waar de verzoeker stelt dat hij onvoldoende tijd kreeg om zijn werkpunten weg te werken, er eveneens door de verzoeker moet worden aangetoond dat hij alvast het nodige initiatief nam om hieraan iets te verhelpen.

Verweerder meent dat betrokkene zich vergist waar hij stelt dat het in de functiebeschrijving ontbreekt aan concrete afspraken naar timing of prioriteiten en verwijst hiervoor naar de drie data die voorop werden gesteld in de functiebeschrijving.

De verweerder meent dat het evaluatieverslag wel strookt met de functiebeschrijving en het functioneringsgesprek. Verweerder erkent dat de punten ‘betalingen uitvoeren op de correcte betaaldag’ en ‘handtekening nabootsen’ niet expliciet werden opgenomen in de functiebeschrijving, maar acht het niet onredelijk dat van een administratieve medewerker kan verwacht worden dat hij de afgesproken taken correct en loyaal uitvoert, wat bovendien letterlijk terug te vinden is in de functiebeschrijving.

Volgens de verweerder is de evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' op een zorgvuldige en kwaliteitsvolle manier gebeurd. Tijdens de informele en formele gesprekken en het functioneringsgesprek werden telkens duidelijke afspraken gemaakt omtrent het functioneren van de verzoeker. Er werd tijdens de evaluatieperiode weliswaar enige vooruitgang geboekt, maar de verzoeker kon uiteindelijk onvoldoende aantonen dat hij in een aanzienlijk aantal werkpunten een start had gemaakt. De verweerder stelde tijdens het evaluatiegesprek vast dat verzoeker, in weerwil van zijn aangegane engagement opgenomen in de functiebeschrijving, onvoldoende presteerde op vlak van communicatie, betrokkenheid en inzet.

Het College van Beroep stelt vast dat de verzoeker omwille van zijn lange loopbaan op de school en opgebouwde gewoonten en routine, moeite heeft met de nieuwe, gewijzigde managementsituatie. Door zijn houding en gedrag wekt verzoeker de indruk beleidsbeslissingen te contesteren. Verzoeker toont zich loyaal ten opzichte van de school, waarmee hij een grote affiniteit heeft, maar kan veel minder loyauteit aan de dag leggen naar zijn nieuwe directie toe. Daarnaast zijn er de vaststellingen door de evaluator en het in gebreke blijven van de verzoeker bij de uitwerking van de met hem gemaakte afspraken.

Verzoeker geeft naar het oordeel van het College van Beroep voldoende blijk van het feit dat hij zich voor de school wil blijven inzetten. Het College stelt ook vast dat de directie van de school vooruitgang ziet in de houding van de verzoeker, maar is van oordeel dat de verweerder terecht stelt dat verzoeker nog onvoldoende de in zijn functiebeschrijving gemaakte afspraken is nagekomen.

Samengevat is het College van Beroep van oordeel dat de evaluatie 'onvoldoende' wel degelijk steun vindt in het dossier. Die eindconclusie is ook redelijk.

De evaluatie met de eindconclusie 'onvoldoende' dient om de voormelde redenen te worden bevestigd.

 

2017_06: pdf bestandCollege_van_beroep_GVO_2017_06_dd_20170823.pdf (21 kB)

Feit:

Evaluatie

Beslissing:

Evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende'

Beslissing in beroep:

23 augustus 2017 – Het College van Beroep verklaart zich onbevoegd.

Procedure en grond van de zaak:

De verwerende partij informeerde de verzoeker ervan dat de overeenkomst van tewerkstelling als directeur van de school definitief en onherroepelijk ontbonden wordt conform art. 1184 BW gezien de diverse wanprestaties in hoofde van verzoeker.

Het College van beroep heeft een bevoegdheid gekregen in het kader van artikel 47 e.v. van het Decreet Rechtspositieregeling van 27 maart 1991, waardoor zij moet oordelen of een evaluatie gebeurde met het respect van de bepalingen van deze artikelen. Er is in casu geen evaluatie in de zin van art. 47 e.v. van het Decreet Rechtspositieregeling van 27 maart 1991 en het College van Beroep is bijgevolg niet bevoegd om te oordelen over een beëindiging van een arbeidsovereenkomst met toepassing van art. 1184 BW.

 

2017_05: pdf bestandCollege_van_beroep_GVO_2017_05_dd_20170823.pdf (18 kB)

Feit:

Evaluatie

Beslissing:

Evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende'

Beslissing in beroep:

23 augustus 2017 – Beroep zonder voorwerp.

Procedure en grond van de zaak:

De verweerder stelde het secretariaat van het College van Beroep in kennis van het omzetten van het evaluatieverslag met als eindconclusie ‘onvoldoende’ naar een evaluatie met als eindconclusie ‘voldoende’, waardoor het beroep niet langer een voorwerp heeft.

De Kamer van het College van Beroep stelt vast dat het beroep geen voorwerp meer heeft.

 

2017_04: pdf bestandCollege_van_beroep_GVO_2017_04_dd_20170823.pdf (20 kB)

Feit:

Evaluatie

Beslissing:

Evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende'

Beslissing in beroep:

23 augustus 2017 – Afstand van het beroep. Beroep zonder voorwerp.

Procedure en grond van de zaak:

De verweerder stelde het secretariaat van het College van Beroep in kennis van het intrekken van het evaluatieverslag met als eindconclusie ‘onvoldoende’, ingevolge waarvan de verzoekende partij formeel afstand deed van haar beroep tegen dit evaluatieverslag.

De Kamer van het College van Beroep stelt vast dat het beroep geen voorwerp meer heeft en neemt akte van de afstand van het beroep.

 

2017_03: pdf bestandCollege_van_beroep_GVO_2017_03_dd_20170621.pdf (44 kB)

Feit:

Evaluatie

Beslissing:

Evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende'

Beslissing in beroep:

21 juni 2017 – De evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' wordt vernietigd.

Procedure en grond van de zaak:

Verzoekende partij werpt op dat zij maar weinig op de hoogte was van de procedureregeling m.b.t. de evaluatie en een beroep instellen tegen een eindverslag met conclusie 'onvoldoende'. Daarenboven wist verzoeker niet wie optrad als haar tweede evaluator en gebeurde de evaluatie in strijd met art. 47octies, §1 van het Decreet Rechtspositieregeling van 27 maart 1991 (BS 25 mei 1991); de evaluatie werd te weinig aangewend als een ‘constructief en positief beleidsinstrument’. Zowel in de motivering van het verzoekschrift als in de mondelinge uiteenzetting stelt de verzoekende partij dat er in het evaluatieverslag te weinig aandacht werd geschonken aan haar positieve bijdragen op school.

Verwerende partij werpt op dat de procedureregeling m.b.t. evaluatie via een elektronische nieuwsbrief werd verspreid op school en werpt de nietigheid op van het beroepschrift gezien ten eerste, de vormvoorschriften zoals vermeld in art. 7 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 betreffende de procedure in beroep na een evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' en betreffende de werking van het College van Beroep (BS 24 januari 2008) niet gerespecteerd werden, ten tweede omdat de motivering van het beroepschrift door verzoeker niet verstuurd werd aan de verwerende partij, maar slechts aan het secretariaat van het College van Beroep en ten derde omdat de geschriften niet werden ondertekend door verzoeker acht verweerder dit niet conform art. 3, eerste lid van het Werkingsreglement van 6 november 2008 van de Kamer voor het Gesubsidieerd Vrij Onderwijs van het College van Beroep (BS 28 januari 2009). Ten slotte werpt verwerende partij op dat er geen sprake kan zijn van een onredelijke beslissing vanwege de eerste evaluator, omdat er twee zeer gedetailleerde functiebeschrijvingen en persoonlijke ontwikkelingsplannen opgemaakt werden met betrekking tot verzoeker, deze werden ondertekend en zorgvuldig afgepunt tijdens de evaluatiegesprekken.

Het College van Beroep stelt vast dat beide functiebeschrijvingen van verzoeker niet conform de decretale eisen werden opgemaakt (art. 47ter, §8, derde en vierde lid Decreet Rechtspositieregeling van 27 maart 1991 (BS 25 mei 1991)). In geen van beide functiebeschrijvingen werden instellingsspecifieke doelstellingen opgenomen, en ook de rechten en plichten inzake permanente vorming en nascholing ontbraken. Gezien een personeelslid voor wie geen functiebeschrijving werd opgesteld volgens de bepalingen van hoofdstuk Vbis van dit decreet, niet kan worden geëvalueerd (art. 47octies, §2, tweede lid), stelt het College van Beroep dat verzoeker in deze zaak, niet rechtsgeldig kon worden geëvalueerd.

Het College van Beroep acht het onvoldoende duidelijk voor de verzoeker wie rechtsgeldig optrad als haar tweede evaluator. Geen van beide overgelegde functiebeschrijvingen bevatten informatie m.b.t. de tweede evaluator. Aan de voorwaarden zoals vermeld in artikel 47ter, §4, 3°, derde streepje van het decreet werd niet voldaan.

Ten slotte verwerpt het College van Beroep de nietigheid van het beroepschrift, zoals ingeroepen door de verweerder. Het College van Beroep stelt vast dat een kopie van het evaluatieverslag aan verzoeker werd overhandigd. Het gelijktijdig versturen van het beroepschrift aan het secretariaat en aan de betrokken evaluator(en) (art. 7, derde lid Besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007), is namelijk niet voorgeschreven op straffe van nietigheid. Dit geldt ook voor de zinsnede ‘gedagtekend en ondertekend door de verzoekende partij’ in art. 3 Werkingsreglement van de Kamer voor het Gesubsidieerd Vrij Onderwijs van het College van Beroep.

Gezien de evaluatie niet rechtsgeldig gebeurde, gaat het College van Beroep niet verder in op de inhoud en de materiële motivering van het dossier.

Samengevat is het College van Beroep van oordeel dat de bij decreet vastgelegde evaluatieprocedure voor de voorliggende evaluatie 'onvoldoende' niet werd nageleefd.

De evaluatie met de eindconclusie 'onvoldoende' dient om de voormelde redenen te worden vernietigd.

 

2017_02: pdf bestandCollege_van_beroep_GVO_2017_02_dd_20170322.pdf (38 kB)

Feit:

Evaluatie

Beslissing:

Evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende'

Beslissing in beroep:

22 maart 2017 – De evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' wordt vernietigd.

Procedure en grond van de zaak:

Verzoekende partij werpt op dat er geen geïndividualiseerde functiebeschrijving werd opgesteld voorafgaand aan de evaluatie. Uit het evaluatiedossier, zoals overgelegd door de verweerder, blijkt dat een functiebeschrijving werd opgesteld voor de verzoeker voor het schooljaar 2016-2017. Deze functiebeschrijving werd door de verzoeker ondertekend na het einde van de evaluatieperiode.

Verzoeker werpt verder op dat voor het schooljaar 2016-2017 de functiebeschrijving niet werd geïndividualiseerd door een lijst van instellingsgebonden taken en dat het verslag van het functioneringsgesprek en de conclusie van de directeur waarvan sprake is ontbreken in het evaluatieverslag in het evaluatiedossier.

Verwerende partij werpt enerzijds op dat de functiebeschrijving geïndividualiseerd werd door toevoeging van instellingsgebonden taken, maar erkent dat dit niet gebeurde voor het schooljaar 2016-2017 en anderzijds dat de informatie betreffende nascholing en ontwikkelingsgerichte doelen te vinden is in de verslagen van de functioneringsgesprekken. Zij verwijst daarnaast naar de functiebeschrijving.

Het College van Beroep stelt vast dat functiebeschrijvingen niet werden geïndividualiseerd voor het schooljaar 2016-2017. De evaluatie met betrekking tot de evaluatieperiode van 14 oktober 2014 tot en met 30 januari 2017, kon voor het schooljaar 2016-2017 niet steunen op een geïndividualiseerde functiebeschrijving.

Het College van Beroep is van oordeel dat de functioneringsgesprekken te weinig terugkoppelen naar de functiebeschrijving.

Het College van Beroep acht het ook onvoldoende duidelijk voor de verzoeker wie rechtsgeldig optreedt als zijn eerste en tweede evaluator. Op de functiebeschrijving voor het schooljaar 2016-2017 worden als eerste en tweede evaluator, evaluatoren aangeduid die niet overeenkomen met deze zoals vermeld op het evaluatieverslag.

Samengevat is het College van Beroep van oordeel dat de bij decreet vastgelegde evaluatieprocedure voor de voorliggende evaluatie onvoldoende werd nageleefd. De eindevaluatie 'onvoldoende' werd ontoereikend gemotiveerd.

De evaluatie met de eindconclusie 'onvoldoende' dient om de voormelde redenen te worden vernietigd.

 

2017_01: pdf bestandCollege_van_beroep_GVO_2017_01_dd_20170125.pdf (68 kB)

Feit:

Evaluatie

Beslissing:

Evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende'

Beslissing in beroep:

25 januari 2017 – De evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' wordt vernietigd.

Procedure en grond van de zaak:

Verzoekende partij werpt op dat de evaluatieprocedure gebeurde door één enkele, onbevoegde evaluator. Het lid van de Raad van Bestuur die de rol van evaluator opnam zou hiertoe niet op rechtsgeldige wijze gemachtigd zijn geweest. De vraag van verzoeker tot overlegging van de stukken waaruit de beslissing tot machtiging aan het ene lid van de Raad van Bestuur blijkt om op te treden als enige evaluator van het ambt ‘adjunct-directeur’ blijft onvoldoende beantwoord door de verweerder.

Verwerende partij werpt op dat verzoekster over de hoedanigheid van de evaluator naar aanleiding van de functioneringsgesprekken nooit een opmerking maakte. Daarnaast verwijst verweerder naar de individuele functiebeschrijving van verzoekster die bovenaan uitdrukkelijk vermeldt wie als haar enige evaluator optreedt.

Het College van Beroep betwist niet dat de verzoekende partij te allen tijde kennis had van de hoedanigheid van de persoon die namens de Raad van Bestuur optrad als haar enige evaluator.
Het College van Beroep is van oordeel dat de stavingsstukken die het van de raadsman van verweerder ontving op 12 januari 2017 tot bewijs van de beslissing van de formele delegatie van de evaluatiebevoegdheid van de Raad van Bestuur aan (…), niet voldoen.

Samengevat is het College van Beroep van oordeel dat de voorliggende evaluatie is gebeurd met miskenning van de bij decreet vastgestelde procedure voor wat betreft de aanduiding van de eerste evaluator. De motivering en de overgelegde stavingstukken bewijzen de machtiging van de Raad van Bestuur niet.  

De evaluatie met de eindconclusie 'onvoldoende' dient om de voormelde  redenen te worden vernietigd.