Beslissingen Kamer van Beroep 2013 - ( Gemeenschapsonderwijs )

2013_13: pdf bestandKamer_van_Beroep_GO_2013_13_dd.20131024.pdf (25 kB)

 

Feit:

Verantwoordingsstukken dubbel indienen om zichzelf te verrijken; goederen niet op de voorgeschreven wijze aankopen en deze goederen niet ter beschikking stellen van de school maar thuis bewaren; verplaatsingsonkosten niet op de voorgeschreven wijze inbrengen.

Bestreden maatregel:

Ontslag.

Beslissing in beroep:

24 oktober 2013 – Het beroep is onontvankelijk.

Grond van de zaak:

Het beroep werd niet binnen de daartoe voorziene beroepstermijn ingesteld.

 

2013_12: pdf bestandKamer_van_Beroep_GO_2013_12_dd.20130930.pdf (21 kB)

 

Feit:

Weigering verbod op dragen van levensbeschouwelijke kentekens na te leven.

Bestreden maatregel:

Ontslag om dringende redenen.

Beslissing in beroep:

30 september 2013 – Het beroep is onontvankelijk.

Grond van de zaak:

De Kamer van Beroep stelt vast dat uit niets blijkt dat verzoeker om dringende redenen werd ontslagen en dat dergelijk ontslag naar het oordeel van de Kamer ook bezwaarlijk zou kunnen omdat verzoeker niet in dienst was.

 

2013_11: pdf bestandKamer_van_Beroep_GO_2013_11_dd.20130930.pdf (21 kB)

 

Feit:

Weigering verbod op dragen van levensbeschouwelijke kentekens na te leven.

Bestreden maatregel:

Ontslag om dringende redenen.

Beslissing in beroep:

30 september 2013 – Het beroep is onontvankelijk.

Grond van de zaak:

De Kamer van Beroep stelt vast dat uit niets blijkt dat verzoeker om dringende redenen werd ontslagen en dat dergelijk ontslag naar het oordeel van de Kamer ook bezwaarlijk zou kunnen omdat verzoeker niet in dienst was.

 

2013_10: pdf bestandKamer_van_Beroep_GO_2013_10_dd.20130703.pdf (30 kB)

 

Feit:

Verklaren geen cashgelden te ontvangen en niet over een sleutel van de kluis te beschikken, terwijl uit onderzoek het tegendeel blijkt.

Bestreden maatregel:

Ontslag om dringende redenen.

Beslissing in beroep:

3 juli 2013 – Het ontslag om dringende redenen wordt bevestigd.

Grond van de zaak:

De directeur die, na het ontslag van de titularis-directeur, door de algemeen directeur werd aangesteld als waarnemend directeur is in die hoedanigheid bevoegd om alle beslissingen te nemen met het oog op de goede werking van de school. Artikel 24 van het decreet rechtspositie bepaalt uitdrukkelijk dat het instellingshoofd bevoegd is voor het geven van de opzegging om dringende redenen. De waarnemend directeur was dus ook bevoegd om verzoekende partij zonder opzegging om dringende redenen te ontslaan.

De Kamer van Beroep ziet geen redenen om eraan te twijfelen dat de algemeen directeur en het instellingshoofd pas op 13 juni 2013 kennis hebben gekregen van het onderzoeksverslag en van de juiste toedracht van de feiten en de fouten die verzoekende partij ten laste worden gelegd, waaruit volgt dat het instellingshoofd de ontslagbeslissing van 14 juni 2013 heeft genomen binnen de voorziene termijn van 3 werkdagen nadat hij op de hoogte was van de ten laste gelegde feiten en de motivering van het ontslag is meegedeeld met een aangetekende brief die op 18 juni 2013 is verzonden binnen de voorziene termijn van 3 werkdagen.

De Kamer van Beroep ziet geen redenen om, wat de tenlasteleggingen betreft, te twijfelen aan de bevindingen van de Onderzoekscel en evenmin aan getuigenverklaringen. De Kamer neemt aan dat verzoekende partij, in tegenstelling met wat zij beweert, wel cash gelden heeft ontvangen en een sleutel had van de kluis.
De Kamer meent dat een directie van een school een totaal vertrouwen moet kunnen hebben in haar medewerkers en er moet op kunnen rekenen dat, in de uitoefening van hun taken, de gezegdes en verklaringen met de werkelijkheid overeenstemmen. Volgens de Kamer nemen de ingeroepen redenen het noodzakelijke vertrouwen weg en maken ze het voortduren van de werkrelatie definitief onmogelijk en is aan de voorwaarden voor het ontslag om dringende redenen voldaan.

 

2013_09: pdf bestandKamer_van_Beroep_GO_2013_09_dd.20130827.pdf (33 kB)

 

Feit:

Het versturen van een mailbericht aan een aantal collega’s waarin er ten opzichte van de hiërarchische overste, een collega en de Inrichtende Macht beschuldigingen worden geuit en waarin wordt opgeroepen klachten in te dienen tegen de hiërarchische overste en een collega.

Bestreden maatregel:

Terbeschikkingstelling voor een periode van 18 maanden.

Beslissing in beroep:

27 augustus 2013 – De beslissing waarbij de tuchtstraf van terbeschikkingstelling voor een periode van 18 maanden wordt opgelegd, wordt vernietigd. De tuchtstraf van de schorsing voor de duur van 3 maanden wordt opgelegd.

Grond van de zaak:

Het mailbericht dat verzoeker aan een aantal collega’s heeft gestuurd bevat, naar het oordeel van de Kamer van Beroep, een aantal lasterlijke aantijgingen en is in bewoordingen gesteld die onbetamelijk zijn en alle grenzen van het fatsoen te buiten gaan. Volgens de Kamer is verzoeker ernstig tekort gekomen aan zijn plichten als leerkracht en rechtvaardigt deze tekortkoming een tuchtstraf.
De Kamer van Beroep meent dat, rekening houdend met de afwezigheid van vroegere tuchtmaatregelen en met latere re-integratie voor ogen, een schorsing van drie maanden in verhouding staat tot de weerhouden tekortkoming en voor verzoeker als signaal zal dienen om in de toekomst zijn taak uit te oefenen zoals dit van hem verwacht wordt.

 

2013_08: pdf bestandKamer_van_Beroep_GO_2013_08_dd.20130823.pdf (25 kB)

 

Feit:

Niet optreden bij een incident; leerlingen zonder toezicht laten; controle over de leerlingen verliezen.

Bestreden maatregel:

Ontslag.

Beslissing in beroep:

23 augustus 2013 – Het beroep is onontvankelijk.

Grond van de zaak:

Het beroep werd niet binnen de daartoe voorziene beroepstermijn ingesteld.

 

2013_07: pdf bestandKamer_van_Beroep_GO_2013_07_dd.20130823.pdf (48 kB)

 

Feit:

Onzorgvuldig of nonchalant bestuur; onrechtmatig opnemen van krediet; misbruik van vertrouwen.

Bestreden maatregel:

Ontslag.

Beslissing in beroep:

23 augustus 2013 – De tuchtmaatregel van het ontslag wordt bevestigd.

Grond van de zaak:

Verzoekende partij erkent zelf dat ze zich onzorgvuldig en nonchalant gedragen heeft. Het behoort tot de meest elementaire verplichtingen van wie beroepsmatig gelden van anderen beheert, om er voor te zorgen dat hij of zij ten allen tijde de omvang van alle inkomsten kan aangeven en een verantwoording van alle uitgaven kan voorleggen, al was het dan nog maar op basis van een zelf ontworpen maar geloofwaardige vorm van registratie van de geldstromen. Uit de opsomming van de feiten in de bestreden beslissing vermeld onder 1. Onzorgvuldig bestuur blijkt dat verzoekende partij daartoe niet in staat is. De Kamer stelt vast dat ook al zou aangenomen worden dat een groot deel van deze feiten gedekt zijn door de verjaring, verzoekende partij haar nonchalante houding heeft voortgezet ook binnen de periode waar de verjaring niet geldt.

Verzoekende partij betwist niet dat zij bij herhaling tijdelijk gebruik heeft gemaakt van middelen van de school voor privé-uitgaven. De verwerende partij wijst er terecht op dat dergelijke zogenaamde vergissingen te frequent voorkomen om geloofwaardig te zijn.

De meest zwaarwegende tenlasteleggingen zijn in de tuchtbeslissing bijeen gebracht onder de kwalificatie ‘misbruik van vertrouwen’. Eventueel mogelijke strafrechtelijke kwalificaties van dezelfde feiten staan volgens de Kamer de gebruikte tuchtrechtelijke omschrijving van de feiten niet in de weg.
Uit het geheel van de omstandigheden leidt de Kamer van Beroep af dat de verwerende partij terecht van oordeel kon zijn dat terugbetalingen van gelden die werden verricht na de start van dit onderzoek op 18 oktober (voor enkele betalingen op 10 oktober) niet als vrijwillige overdracht kunnen worden beschouwd. De laattijdigheid van deze verrichtingen en het uitblijven van verdere terugbetalingen kan in de gegeven omstandigheden terecht als misbruik van vertrouwen worden omschreven. Voor talloze verrichtingen volgt een onthutsend geheel van verklaringen waarom geldmiddelen van de school in handen gebleven zijn van verzoekende partij. Uit het dossier blijkt verder dat de verzoekende partij in de laatste maanden van haar mandaat in de vestiging waar ze tot dan toe de directiefunctie uitoefende, op uiteenlopende en ongehoord lichtzinnige wijze geprobeerd heeft om de betwiste rekening lichter te maken door een genereus gebruik ten gunste van het personeel, en, wat erger is, zuiver in eigen voordeel. Het is de verantwoordelijkheid van al wie beroepshalve andermans goederen beheert om er voor de zorgen dat inkomsten zorgvuldig worden geregistreerd en uitgaven geloofwaardig verantwoord worden. Verzoekende partij is daar naar het oordeel van de Kamer, door eigen toedoen manifest niet toe in staat. De kamer houdt een herhaald en zeer ernstig misbruik van vertrouwen voor bewezen.

De Kamer van Beroep is van oordeel dat verwerende partij terecht kon oordelen dat verzoekster door volgehouden en bijzonder ernstige tekortkomingen aan haar deontologische verplichtingen het voor samenwerking noodzakelijke vertrouwen zo grondig heeft geschokt dat iedere verdere samenwerking onmogelijk is. De kamer besluit dat, nog afgezien van de tenlasteleggingen van onzorgvuldig en nonchalant bestuur en onrechtmatig opnemen van krediet, de vele onverklaarde uitgaven en de bewezen herhaalde aanwending van schoolgelden in eigen voordeel meer dan ten volle de tuchtstraf van het ontslag verantwoorden.

 

2013_06: pdf bestandKamer_van_Beroep_GO_2013_06_dd.20130507.pdf (30 kB)

 

Feit:

Op diverse niet nader te bepalen data welbewust ongepaste en choquerende opmerkingen en mededelingen te hebben gedaan t.a.v. de aan u toevertrouwde leerlingen; op diverse niet nader te bepalen data welbewust een ongepaste en choquerende houding te hebben aangenomen t.a.v. de aan u toevertrouwde leerlingen.

Bestreden maatregel:

Blaam.

Beslissing in beroep:

7 mei 2013 – De tuchtmaatregel van de blaam wordt bevestigd.

Grond van de zaak:

Verzoekende partij stelt dat op de hoorzitting van 6 februari niet uitdrukkelijk gemeld werd welke feiten hem op die zitting zouden worden ten laste gelegd en evenmin de mogelijkheid werd geboden om tot een dialoog te komen met de aanwezige leden van de Raad van Bestuur.
De Kamer van Beroep stelt vast dat in de oproepingsbrief van 16 januari 2013 de besluiten van het tuchtonderzoek, waaraan verzoeker heeft deelgenomen, zijn vermeld en ook, op precieze en nauwkeurige wijze, de feiten die aan verzoeker ten laste worden gelegd. De hoorzitting heeft plaats gevonden en er werd zowel een mondeling als een schriftelijk verweer gevoerd zodat volgens de Kamer aan de vereisten inzake de tuchtprocedure was voldaan. Een hoorzitting vereist niet dat “in dialoog” wordt getreden. Uit het gegeven dat door de leden van de Raad van Bestuur in casu geen bijkomende vragen zijn gesteld, is enkel af te leiden dat die er niet waren; nergens wordt immers beweerd of gesteld dat er geen mogelijkheid was tot vraagstelling noch dat de leden daarin zouden zijn gehinderd.
Verzoeker beweert dat het onderzoek niet à décharge zou zijn gevoerd of, nog, dat het ongenuanceerd zou zijn wat echter wordt tegengesproken door het onderzoeksrapport zelf.

De feitelijkheid van de ten laste gelegde uitlatingen wordt niet betwist doch wel de “intentie om te kwetsen of te schaden”, of, nog, dat deze uitlatingen “uit hun context zouden zijn gerukt”.
Opdat het handelen of niet-handelen als een tuchtfeit kan worden beschouwd, is het niet nodig dat er bijzonder opzet bestaat of dat er een intentie is om te schaden of te kwetsen. Verzoekende partij is ernstig tekort gekomen in de uitoefening van zijn taak en deze tekortkomingen rechtvaardigen een tuchtstraf nu het niet kan worden aanvaard dat de uitlatingen waarvan sprake door een leerkracht jegens zijn leerlingen wordt gebezigd. Bovendien is rekening te houden met de voorbeeldfunctie die een leerkracht ter zake vervult en is het ook niet aanvaardbaar dat leerlingen zouden moeten worden verondersteld dergelijke uitlatingen “te plaatsen”.

 

2013_05: pdf bestandKamer_van_Beroep_GO_2013_05_dd.20130308.pdf (17 kB)

 

Feit:

Vrijwillig ontslag. Beslissing federale pensioencommissie.

Bestreden maatregel:

Vrijwillig ontslag. Beslissing federale pensioencommissie.

Beslissing in beroep:

8 maart 2013 – Het beroep is onontvankelijk.

Grond van de zaak:

De Kamer van Beroep is niet bevoegd voor geschillen over een vrijwillig ontslag dat gegeven werd overeenkomstig artikel 88, 1° van het decreet rechtspositie noch voor geschillen over een beslissing van de federale pensioencommissie.

 

2013_04: pdf bestandKamer_van_Beroep_GO_2013_04_dd.20130308.pdf (35 kB)

 

Feit:

Toenaderingen en contacten met amoureuze inhoud en connotatie jegens een leerlinge.

Bestreden maatregel:

Beslissing tot preventieve schorsing van 22 januari 2013.

Beslissing in beroep:

8 maart 2013 – De preventieve schorsing wordt bevestigd.

Grond van de zaak:

Verzoekende partij beroept zich op een schending van de rechten van de verdediging, minstens van de hoorplicht, in samenhang met een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel.
De Kamer van Beroep meent dat verzoeker tijdig kon beschikken over de voorlopige maatregel van preventieve schorsing die zou worden genomen en de redenen die daaraan ten grondslag liggen. Uit de vaststellingsfiche dd. 20 december 2012 opgemaakt en ondertekend door de directeur van de school en door de verzoeker (voor gezien), blijkt duidelijk over welke feiten het gaat. Verder zijn alle stukken waarover de algemeen directeur beschikte opgenomen in het administratief dossier en werden zij – zonder uitzondering – overgemaakt zowel aan de Raad van Bestuur, als aan verzoeker die erover tijdig beschikte met het oog op de hoorzitting en ter voorbereiding van zijn verweer. Tijdens de hoorzitting voor de Raad van Bestuur heeft verzoeker er zelf voor gekozen, hoewel hij kennis had van alle stukken van het administratief dossier, geen enkel inhoudelijk verweer te voeren. Aangezien de preventieve schorsing werd opgelegd door de algemeen directeur op 14 januari 2013 met ingang van diezelfde dag en dus ook reeds uitwerking had, is het niet onredelijk noch onzorgvuldig dat de klassenraad daarover daags nadien werd ingelicht, onverminderd het gegeven dat de maatregel nog aan de Raad van Bestuur ter bevestiging en bekrachtiging werd overgemaakt.
De Kamer van Beroep meent dat de bestreden beslissing tot stand is gekomen zonder schending van de hoorplicht, zonder schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, op zichzelf of samen genomen.

De beweerde feiten (jegens een minderjarige leerlinge die school loopt in het buitengewoon onderwijs en kwetsbaar is) die verzoeker ten laste worden gelegd zijn zodanig ernstig dat zijn verdere aanwezigheid op de school de werking van de dienst in het gedrang brengt. Naar het oordeel van de Kamer van Beroep zijn de voorwaarden voor het opleggen van een preventieve schorsing vervuld en is niet kennelijk onredelijk gehandeld door verzoeker bij hoogdringendheid te schorsen.

 

2013_03: pdf bestandKamer_van_Beroep_GO_2013_03_dd.20130218.pdf (40 kB)

 

Feit:

Het stellen van ontoelaatbare seksuele handelingen en het versturen van sms-berichten met seksuele connotatie.

Bestreden maatregel:

Beslissing tot preventieve schorsing van 24 september 2012.

Beslissing in beroep:

18 februari 2013 – De preventieve schorsing wordt bevestigd.

Grond van de zaak:

De Kamer van Beroep oordeelt dat wanneer zij wordt gevat in het kader van artikel 59ter, § 1, derde lid decreet rechtspositie, zij rekening moet houden met de nieuwe gegevens – in zoverre die door geen van de partijen worden betwist – waarbij de vraag rijst of die gegevens, geen nieuw licht op de zaak werpen, en of in het licht van de nieuwe gegevens de preventieve schorsing nog langer kan worden gehandhaafd.

Verzoekende partij is van oordeel dat er een nieuw element is in het feit dat verzoeker nog steeds niet werd ondervraagd in het kader van het opsporingsonderzoek en dit terwijl reeds 4 maanden (thans 5) zijn verstreken sinds de bestreden beslissing; zij voert aan dat geen sprake is van een gerechtelijk onderzoek doch enkel van een opsporingsonderzoek. De Kamer van Beroep stelt vast dat uit artikel 59 decreet rechtspositie blijkt dat de preventieve schorsing wanneer een tuchtonderzoek is ingesteld niet langer mag duren dan één jaar behoudens bij een strafrechtelijk onderzoek of strafrechtelijke vervolging voor dezelfde feiten. Die termijn van één jaar is nog niet verstreken. Volgens de Kamer blijkt niet dat het begrip “strafrechtelijk onderzoek” in artikel 59 decreet rechtspositie is beperkt tot het gerechtelijk onderzoek en niet (ook) het vooronderzoek, het opsporingsonderzoek omvat. Uit het gegeven – los van de vraag of het een nieuw feit is – dat verzoekende partij nog niet zou zijn verhoord, kan niet worden afgeleid dat geen opsporingsdaden worden gesteld die ertoe strekken dienstig te zijn voor de uitoefening van de strafvordering.
Het gegeven dat de betrokken leerlinge niet langer school loopt in de betrokken instelling, ontneemt voor de Kamer niet het ernstig karakter van de feiten, zonder uitspraak te doen over de schuldvraag, die een preventieve schorsing rechtvaardigen.
Het gegeven van de uitbreiding van de vaste benoeming van verzoeker, is een loutere toepassing van artikel 36 e.v. decreet rechtspositie en het gegeven dat de preventieve schorsing slechts een tijdelijke ordemaatregel is.

De Kamer is van oordeel dat de beweerde feiten die ten laste worden gelegd van verzoeker zodanig ernstig zijn dat zijn verdere aanwezigheid op de school de werking van de dienst in het gedrang brengt en meent dat de voorwaarden voor het opleggen van een preventieve schorsing nog steeds vervuld zijn en de beslissing tot preventieve schorsing bij hoogdringendheid, zoals bevestigd en bekrachtigd door de bestreden beslissing, niet kennelijk onredelijk is en dat er, voorts, geen nieuwe elementen zijn, nadat drie maanden verstreken zijn sinds de dag na het versturen van de aangetekende brief met de kennisgeving van de preventieve schorsing, die rechtvaardigen te beslissen dat niet (langer) aan de bepalingen van artikel 59 is voldaan of te besluiten dat de preventieve schorsing kennelijk onredelijk zou zijn (geworden).

 

2013_02:pdf bestandKamer_van_Beroep_GO_2013_02_dd.20130129.pdf (208 kB)

 

Feit:

De school verlaten met gebakken producten (m.n. cakes, flantaarten, rozijnenbrood, pistolets).

Bestreden maatregel:

Beslissing tot preventieve schorsing van 20 december 2012.

Beslissing in beroep:

29 januari 2013 – De preventieve schorsing wordt bevestigd.

Grond van de zaak:

Verzoekende partij beweert dat de hoorplicht niet is nageleefd doordat de bestreden beslissing gewag maakt (in meervoud) van “feitelijkheden” terwijl verzoeker opgeroepen werd om te worden gehoord omwille van het feit dat hij de school op 5 december 2012 wilde verlaten met gebakken producten.

Uit de bespreking door de Raad van Bestuur en de motieven die haar beslissing schragen blijkt dat zij heeft gemeend dat enkel de feitelijkheden van het verlaten van de school met gebakken producten in rekening zijn genomen om de preventieve schorsing te bevelen. Andere, d.w.z. bijkomende feitelijkheden – en waarover het personeelslid dan niet zou zijn gehoord – zijn in de bestreden beslissing niet vermeld noch in rekening genomen om tot de preventieve schorsing te besluiten. De bestreden beslissing is naar het oordeel van de Kamer niet tot stand gekomen met schending van de hoorplicht.

De Kamer van Beroep doet geen uitspraak over de ten laste gelegde feiten die, naar het oordeel van de verwerende partij, een preventieve schorsing rechtvaardigen en die het voorwerp uitmaken van een tuchtonderzoek. De Kamer gaat enkel na in hoever door het optreden van het personeelslid de normale werking van de dienst verstoord is en de verwijdering uit de dienst aan een verstoring een einde zou kunnen maken in het belang van het onderwijs. Gezien een tuchtonderzoek is gestart ten laste van het personeelslid, kan de Kamer van Beroep de preventieve schorsing enkel vernietigen door een beslissing die bij unanimiteit wordt genomen, ongeacht het oordeel van de Kamer over de redenen die als verantwoording voor de preventieve schorsing worden aangehaald.

 

2013_01:pdf bestandKamer_van_Beroep_GO_2013_01_dd.20130109.pdf (145 kB)

 

Feit:

Het bewaren van teveel kasgelden op school en deze gelden op een onveilige manier bewaren. Het niet volgen van de richtlijnen inzake het financieel beheer van de kasgelden.

Bestreden maatregel:

Schorsing gedurende zes maanden.

Beslissing in beroep:

9 januari 2013 – De beslissing waarbij de tuchtmaatregel van de schorsing gedurende zes maanden wordt opgelegd, wordt vernietigd. De tuchtstraf van de afhouding van één vijfde van het laatste bruto-activiteitssalaris gedurende één maand wordt opgelegd.

Grond van de zaak:

De Kamer van Beroep is van oordeel dat het personeelslid te veel geld op school heeft bewaard en op dat punt is tekort gekomen in de uitoefening van haar taak. Het niet onmiddellijk inschrijven van verrichtingen op het kasblad situeert zich binnen een onzorgvuldig handelen van het personeelslid; deze tekortkoming moet worden samengevoegd met de tekortkoming i.v.m. het bewaren van de gelden op school.

Een schorsing bij tuchtmaatregel van zes maanden kan naar het oordeel van de Kamer van Beroep niet in redelijkheid behouden worden; rekening houdend met de staat van dienst van het personeelslid, is voor de weerhouden tekortkomingen de tuchtstraf van een afhouding van één vijfde van het laatste bruto-activiteitssalaris voor de duur van één maand een billijke sanctie waardoor het personeelslid haar taak als directie zonder onderbreking kan uitoefenen en toch het signaal krijgt om nauwgezet de instructies na te leven met betrekking tot het registreren van de ontvangen gelden en het bewaren van kasgelden op de school.