Beslissingen Kamer van beroep 2014 - ( Gemeenschapsonderwijs )

2014_12: pdf bestandKamer_van_Beroep_GO_2014_12_dd.20141216.pdf (590 kB)

 

Feit:

Ongeoorloofde contacten met een leerlinge via sociale media en SMS.

Bestreden maatregel:

Beslissing tot preventieve schorsing van 3 november 2014.

Beslissing in beroep:

16 december 2014 – De preventieve schorsing wordt bevestigd.

Grond van de zaak:

De Kamer van Beroep is van oordeel dat de verzoeker zijn opdracht als leraar te buiten gegaan is door, hoewel hij wist dat een leerlinge in juni 2014 de school verlaten had en dat zijn professionele relatie met haar als zorgleerkracht dus afliep, in augustus toch in te gaan op GSM-berichten van het meisje en vervolgens met haar een groot aantal berichten uit te wisselen.
De Kamer van Beroep is van oordeel dat een schoolbestuur zich met recht en reden afvraagt of de betrokken leraar nog wel de vertrouwenstaak van zorgleerkracht kan vervullen en dat het, bekommerd om het behoud van het vertrouwen van de ouders in de school en om mogelijke herhaling te voorkomen, terecht beslist de betrokken leraar tijdelijk uit de school te verwijderen in afwachting dat het tuchtonderzoek hem toelaat definitief standpunt in te nemen over de feiten.

 

2014_11: pdf bestandKamer_van_Beroep_GO_2014_11_dd.20141216.pdf (570 kB)

 

Feit:

Het starten van een ‘Facebook-gesprek’ waarvan de inhoud belasterend en bedreigend is t.a.v. de directie.

Bestreden maatregel:

Schorsing voor één maand.

Beslissing in beroep:

16 december 2014 – De tuchtmaatregel van de schorsing voor één maand wordt vernietigd.

Grond van de zaak:

 

2014_10: pdf bestandKamer_van_Beroep_GO_2014_10_dd.20141216.pdf (860 kB)

 

Feit:

Het, tijdens een kindvrije dag (teambuilding): 1. nuttigen van excessieve hoeveelheden alcoholische drank(en) en daardoor zichtbaar dronken of aangeschoten zijn; 2. daardoor de teambuilding ernstig verstoren; 3. bedreigen van een collega om met stoel op het hoofd te slaan.

Bestreden maatregel:

Schorsing voor één maand.

Beslissing in beroep:

16 december 2014 – De tuchtmaatregel van de schorsing voor één maand wordt bevestigd.

Grond van de zaak:

De Kamer van Beroep stelt vast dat de verzoeker het bestaan van het derde tuchtfeit niet betwist.
De niet betwiste vaststelling enerzijds van het bewust nuttigen van alcoholische drank en anderzijds van het vertonen van dronken gedrag volstaan om het tuchtfeit voor bewezen te houden.
De Kamer van Beroep bevestigt de stelling van de raad van bestuur dat de door hem aangevoerde feiten aantonen dat de verzoeker de teambuilding ernstig verstoord heeft.

De Kamer van Beroep is van oordeel dat de verzoeker ernstig aan zijn ambtsplichten tekort gekomen is, zulks in omstandigheden die door de collega’s als zeer storend werden ervaren en waarbij ook personen van buiten de school werden betrokken.
Het herstel van de orde, de goede werking en het belang van de school vereist een straf die naar de collega’s en naar buiten toe blijk geeft van de afkeuring die het bestuur aan het handelen van de verzoeker koppelt. De door de raad van bestuur opgelegde schorsing voor de duur van één maand is een gepaste straf.

 

2014_09: pdf bestandKamer_van_Beroep_GO_2014_09_dd.20141021.pdf (1.13 MB)

 

Feit:

Het, zonder enige melding of vraag en toestemming van de hiërarchische overste en ondanks de instructie dat contacten met de pers dienen te verlopen via de woordvoerder van de scholengroep, laten binnenglippen en rondleiden van een reporter in de instelling waarbij in een uitgezonden radioreportage een erg negatief beeld over de werking van de instelling wordt geschetst en waarbij op die manier afbreuk wordt gedaan aan alle werk en initiatief dat door tal van personen op meerdere echelons gedurende meerdere jaren ondernomen werd.

Bestreden maatregel:

Afhouding van 10% wedde voor de duur van één maand.

Beslissing in beroep:

21 oktober 2014 – De tuchtmaatregel van de afhouding van 10% wedde voor de duur van één maand wordt vernietigd. De tuchtmaatregel van de blaam wordt opgelegd.

Grond van de zaak:

De Kamer van Beroep neemt aan dat verzoekster, door eigener gezag een buitenstaander -radiojournalist- in de instelling binnen te laten en hem rond te leiden, een tuchtinbreuk begaan heeft.
Het negatief beeld dat de verzoekster van de inrichting geschetst heeft strookt met de realiteit. Zij heeft gewezen op de positieve inbreng van het personeel. Zij heeft zich beperkt tot het weergeven van een sfeerbeeld van de bestaande situatie. Dergelijk handelen kan niet als een tuchtinbreuk gecatalogeerd worden

De Kamer van Beroep is de overtuiging toegedaan dat verzoekster geheel ondoordacht ingegaan is op het verzoek van de radioreporter en dat zij derhalve zonder enig opzet voorbijgegaan is aan de verplichting om haar meerderen te consulteren alvorens de rondgang van de reporter toe te laten.
Vanuit dat oogpunt komt de tuchtstraf van de inhouding van een deel van de wedde de kamer van beroep te zwaar voor. Zij is van oordeel dat een blaam volstaat om de verzoekster op het goede spoor te houden.

 

2014_08: pdf bestandKamer_van_Beroep_GO_2014_08_dd.20140925.pdf (94 kB)

 

Feit:

Ongepast taalgebruik, hardhandig optreden en intimidatie van leerlingen; onvoldoende optreden bij een aantal incidenten in de klas wat aanleiding geeft tot zeer ernstige veiligheidsrisico’s.

Bestreden maatregel:

Ontslag.

Beslissing in beroep:

25 september 2014 – De tuchtmaatregel van het ontslag wordt vernietigd. De tuchtmaatregel van de terbeschikkingstelling voor één jaar wordt opgelegd.

Grond van de zaak:

Verzoekende partij stelt dat de Raad van Bestuur niet meer bevoegd was (voor de eerste acht tenlasteleggingen) een tuchtstraf op te leggen. Verzoekende partij betoogt dat het besluit van de Vlaamse Regering van 22 mei 1991 (art. 19, § 8) de tuchtoverheid verplicht om binnen de zes weken “na het opmaken van het proces-verbaal van verhoor” een beslissing te nemen en dat zij, bij ontstentenis daarvan, geacht wordt af te zien van haar tuchtrechtelijke bevoegdheid.
Aangezien het bestuur niet de absolute verplichting heeft om het onderzoek met één hoorzitting af te handelen en de tuchtoverheid zich in bepaalde gevallen zelfs verplicht kan zien om, met het oog op de correcte feitenvinding en het bewijs van de tuchtinbreuk, een nieuwe hoorzitting te organiseren, is er volgens de Kamer van Beroep reden om de verwijzing naar ‘het proces-verbaal van verhoor’ in artikel 19, §8 te lezen als een verwijzing naar het proces-verbaal dat het horen afsluit, dus het proces-verbaal opgemaakt na de laatste hoorzitting.
Verzoeker is op 31 maart 2014 gehoord over de acht tuchtinbreuken die hem toen ten laste werden gelegd en er is, zoals artikel 19, §6 voorschrijft, ter zitting proces-verbaal opgemaakt van dat verhoor. De Raad van Bestuur heeft dan beslist om het persoonlijk dossier van verzoeker bij het tuchtdossier te voegen en om een tweede hoorzitting te organiseren waarop alle leerkrachten die in de tuchtzaak genoemd worden, konden gehoord worden; voorts werd beslist om de Onderzoekscel GO! te gelasten met een onderzoek van de incidenten van begin 2014 en om de behandeling van de zaak ‘voort te zetten op een volgende raad van bestuur, van zodra deze bijkomende onderzoeksdaden zijn gesteld’ en nadat de verzoeker inzage gekregen heeft van de resultaten van de Onderzoekscel. Met de ontvangst van die beslissing was de verzoeker duidelijk ingelicht over de procedure die de tuchtoverheid wenste te volgen. Aangezien de verzoeker de feiten betwistte was het gevraagde onderzoek ook in zijn voordeel en was het uitstel van de zaak dat daar noodzakelijk mee verbonden was ook gerechtvaardigd.

Het gaat om ernstige feiten die, globaal genomen, aantonen dat verzoeker als leraar en opvoeder ernstig gefaald heeft. En dat falen gebeurt niet voor het eerst: uit het dossier blijkt dat verzoeker ook reeds vroeger voor gelijkaardige feiten tuchtrechtelijk in het vizier is gekomen.
In weerwil van die belastende elementen is de Kamer van Beroep toch van oordeel dat de definitieve verwijdering van verzoeker uit de dienst op dit ogenblik niet verantwoord is. Zij overweegt daarbij inzonderheid dat het bestuur de negatieve houding van verzoeker nooit heeft pogen te keren of hem tot betere inzichten te brengen door een evaluatieprocedure op te starten. Een verwijdering uit de dienst bij wege van een terbeschikkingstelling voor de duur van één jaar wordt een aangepaste straf bevonden. De straf moet de verzoeker aansporen zich te bezinnen over zijn opdracht als leraar en kan hem toelaten zich te herbronnen teneinde nadien zijn taak met de nodige verantwoordelijkheidszin en in volle loyauteit te hernemen.

 

2014_07: pdf bestandKamer_van_Beroep_GO_2014_07_dd.20140818.pdf (35 kB)

 

Feit:

Leerlingen toegang tot de lessen ontzeggen, waardoor deze leerlingen niet de lessen kregen waarop ze recht hadden; weigeren het door de directie toegewezen lokaal te betrekken; een gemaakte afspraak met de directeur negeren en een verzoek van de directeur om zich bij hem te melden afwijzen; zich t.a.v. de leerlingen op ongepaste wijze uitlaten over de directeur; leerlingen aanzetten om bij de directeur te klagen over het toegewezen lokaal; leerlingen sommeren eens goed hun geacht te zeggen over het toegewezen lokaal, een onderhoud met de directeur eisen en tijdens dit onderhoud in aanwezigheid van de leerlingen, de directie en de preventieadviseur ervan beschuldigen leugenaars en huichelaars te zijn, weigeren gevolg te geven aan de eis van de directeur om de leerlingen onmiddellijk terug te brengen naar hun instelling.

Bestreden maatregel:

Schorsing voor 3 maanden.

Beslissing in beroep:

18 augustus 2014 – De tuchtmaatregel van de schorsing voor 3 maanden wordt vernietigd. De tuchtmaatregel van de schorsing voor 1 maand wordt opgelegd.

Grond van de zaak:

Verzoekster betwist het bestaan van de feiten die de raad van bestuur haar ten laste heeft gelegd en/of het in aanmerking nemen ervan als tuchtfeit.
De getuigenverklaringen tegenover de onderzoekscel en de vaststellingen die de onderzoekscel in het kader van haar onderzoek heeft kunnen maken, zoals die in het beroepen besluit worden vermeld, vormen ook voor de Kamer van Beroep het bewijs van de verschillende tenlasteleggingen. Dit geldt zeker nu verzoekster in haar beroepsschrift de door de Raad van Bestuur concreet in aanmerking genomen elementen niet tegenspreekt, maar in wezen haar verweer voor de Raad van Bestuur herneemt, waarin zij de feiten niet echt ontkent, maar ze benadert vanuit een zeer persoonlijk standpunt.
Voor het antwoord op de vraag of de feiten ook als tuchtfeiten aan de verzoekster ten laste gelegd kunnen worden, overweegt de Kamer van Beroep dat, daargelaten de vraag of elk ten laste gelegd feit op zich wel een disciplinair beteugelbare tekortkoming uitmaakt, die feiten in hun samenhang in ieder geval het bewijs bevatten van een grote eigenzinnigheid en zelfs weerspannigheid, hetgeen disciplinair optreden rechtvaardigt.

De verwijdering uit de dienst van een personeelslid is een ernstige maatregel. De omstandigheid dat de verzoekster met haar eigenzinnige en onwillige opstelling de normale werking van de school verstoord heeft en het imago van de school in een negatief daglicht gesteld heeft, rechtvaardigt die ernstige maatregel.
De Kamer van Beroep vindt evenwel dat de verwerende partij geen echte repliek geeft op de kritiek van de verzoekster dat ook de werking van de school te wensen overliet. De Kamer van Beroep is van oordeel dat een schorsing voor de duur van 1 maand volstaat om de verzoekster te bestraffen voor haar misdragingen en om haar aan te sporen naar de toekomst toe dergelijk gedrag te vermijden.

 

2014_06: pdf bestandKamer_van_Beroep_GO_2014_06_dd.20140626.pdf (50 kB)

 

Feit:

Onzorgvuldig handelen door een enquête waarvan minstens moest vastgesteld worden dat ze verdacht was te bespreken met een leerling en met hem een afspraak te maken om deze enquête uit te voeren.

Bestreden maatregel:

Blaam.

Beslissing in beroep:

26 juni 2014 - De tuchtmaatregel van de blaam wordt vernietigd.

Grond van de zaak:

De verzoeker stelt dat de tuchtstraf opgelegd werd met miskenning van de verplichting om in tuchtzaken binnen een redelijke termijn te beslissen.
De Kamer van Beroep besluit dat het bestuur, geconfronteerd met een uiterst kiese aangelegenheid waarin het zelf in eerste instantie geen klaarheid kon brengen en waarin de mogelijke strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de verzoeker alleen maar steunde op zuivere hypothesen, met reden de zaak bij de gerechtelijke overheid aangebracht heeft en het resultaat van dat onderzoek afgewacht heeft om dan zelf standpunt in te nemen.

De Kamer van Beroep acht het bewezen dat verzoeker tekort gekomen is aan zijn beroepsplichten door bij de ontvangst van een enquêteopdracht in een delicate aangelegenheid niet de alertheid aan de dag gelegd te hebben die in redelijkheid van een leraar mag verwacht worden. De gegevens van het dossier laten evenwel het besluit niet toe dat het falen in de uitvoering van deze ene opdracht als schuldig gedrag kan aangemerkt worden. De houding die de verzoeker in deze kwestie aangenomen heeft getuigt zeker van een gebrek aan kritisch denken waarop hij mogelijks in een functionerings- of evaluatiegesprek kan aangesproken worden, maar volstaat niet om, alle gegevens van deze zaak in acht genomen, te besluiten tot een tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid.

 

2014_05: pdf bestandKamer_van_Beroep_GO_2014_05_dd.20140612.pdf (34 kB)

 

Feit:

Ongewettigde afwezigheid.

Bestreden maatregel:

Ontslag om dringende redenen.

Beslissing in beroep:

12 juni 2014 – Het ontslag om dringende redenen wordt vernietigd.

Grond van de zaak:

De directrice neemt aan dat de ongewettigde afwezigheid van verzoeker een ernstig feit is dat het onmiddellijk ontslag verantwoordt. Het bewijs van die ongewettigde afwezigheid – de vaststelling ervan- legt zij in de beslissing van de algemeen directeur van 12 mei 2014, waarin gesteld wordt dat de afwezigheid van verzoeker sedert 1 mei 2014 als ongewettigd wordt bestempeld.
De Kamer van Beroep stelt vast dat de door de algemeen directeur gemaakte vaststelling ontkracht wordt door het geneeskundig attest dat verzoeker nadien – op 14 mei - bij de schooldirecteur heeft ingeleverd en waaruit blijkt dat hij van 5 tot 12 mei ziek was. Omdat laattijdig toch een ziekteattest ingeleverd werd, bleek het motief dat de directeur gehanteerd had niet meer valabel.

 

2014_04: pdf bestandKamer_van_Beroep_GO_2014_04_dd.20140423.pdf (28 kB)

 

Feit:

Strafrechtelijke vervolging.

Bestreden maatregel:

Beslissing tot preventieve schorsing van 11 maart 2014.

Beslissing in beroep:

23 april 2014 – Het beroep is onontvankelijk. Het beroep wordt doorgestuurd naar de Kamer van Beroep voor het officieel gesubsidieerd onderwijs.

Grond van de zaak:

De Kamer van Beroep is uitsluitend bevoegd voor personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs, wat verzoeker niet is. De Kamer is derhalve niet bevoegd om kennis te nemen van het beroep.
Dat de reglementering niet voorziet in het doorzenden van een beroepsschrift naar de bevoegde Kamer van Beroep, belet de Kamer niet om, als element van goed bestuur, op de vraag tot doorzending in te gaan, zeker nu de Kamers van Beroep organen zijn de functioneren bij dezelfde administratie. De doorzending doet niets af aan de mogelijkheid van verzoekende partij om alsnog, voor zover zij dat nog tijdig kan doen, bij de Kamer van Beroep voor het officieel gesubsidieerd onderwijs een nieuw beroepsschrift in te dienen.

 

2014_03: pdf bestandKamer_van_Beroep_GO_2014_03_dd.20140403.pdf (47 kB)

 

Feit:

Stellen van ongepaste uitspraken en handelingen t.o.v. leerlingen en onvoldoende optreden bij een aantal incidenten in de klas wat aanleiding geeft tot zeer ernstige veiligheidsrisico’s.

Bestreden maatregel:

Beslissing tot preventieve schorsing van 17 februari 2014.

Beslissing in beroep:

3 april 2014 – De preventieve schorsing wordt bevestigd.

Grond van de zaak:

Verzoeker stelt dat de algemeen directeur niet bevoegd was om bij hoogdringendheid tot de preventieve schorsing te besluiten en dat de Raad van Bestuur op 17 februari 2014 dan ook, net als de Kamer van Beroep op dit ogenblik, die preventieve schorsing niet kon bekrachtigen.

Te dezen heeft de algemeen directeur zijn besluit van 31 januari 2014 gesteund op ‘de ordeverstoring in de ruime zin’. Zijn overwegingen daarbij gaan de ‘belangen van de scholengroep’ aan -met name de bekommernis om in goede omstandigheden onderwijs te verstrekken- en verantwoorden dat de algemeen directeur op grond van artikel 30, §2 van het Bijzonder Decreet van 14 juli 1998 onmiddellijk optreedt omdat de gewone procedure voor de Raad van Bestuur ontoereikend was om de belangen van de scholengroep te vrijwaren.

Verzoeker betwist ook dat de zaak de hoogdringendheid vertoonde die vereist was opdat de algemeen directeur qualitate qua -in het kader van artikel 30, §2 van het Bijzonder Decreet- tot de preventieve schorsing van verzoeker zou kunnen besluiten.
Aangezien het enig criterium om de hoogdringendheid van het optreden te beoordelen gelinkt is aan de aanwezigheid van de betrokkene in de tijdspanne dat een preventieve schorsing volgens de gewone regeling wordt afgehandeld, moet het bestuur geen beslissing nemen zolang de betrokkene op eigen initiatief buiten de dienst blijft. Met andere woorden, het uitstellen van een beslissing totdat de betrokkene in de dienst terugkeert houdt geenszins in dat het bestuur –het instellingshoofd voor het opstarten van de procedure en de algemeen directeur om een beslissing te nemen - het recht verwerkt heeft om, bij werderindiensttreding, bij hoogdringendheid een beslissing te nemen over de aanwezigheid van het personeelslid.

De Raad van Bestuur heeft de beslissing van de algemeen directeur overgedaan, na verzoeker in de gelegenheid te hebben gesteld zich te verweren overeenkomstig de bepalingen van het besluit van 22 mei 1991. De Raad van Bestuur beschikte op dat ogenblik ook over het advies van het instellingshoofd. Daarmee heeft de preventieve schorsing het karakter gekregen van een eigen beslissing van de Raad van Bestuur, die de beslissing van de algemeen directeur opgeslorpt heeft en zodoende nog alleen gelding heeft in het rechtsverkeer.

De Kamer van Beroep besluit dat, de Raad van Bestuur regelmatig heeft kunnen vaststellen dat het dossier dat hem voorlag een aantal feiten aan het licht bracht die blijk geven van een onaangepaste houding en dat uiteindelijk de feiten van 10 en 14 januari 2014, bekeken in het licht van de noodzakelijke zorg voor de veiligheid in de school, een verwijdering uit de school rechtvaardigen.

 

2014_02: pdf bestandKamer_van_Beroep_GO_2014_02_dd.20140121.pdf (30 kB)

 

Feit:

Aan collega’s-directeur een aantal teksten bezorgen waardoor niet alleen de voorgeschreven hiërarchische weg niet werd gevolgd maar ook ongepaste, zelfs lasterlijke mededelingen t.a.v. de inrichtende macht werden verspreid.

Bestreden maatregel:

Blaam.

Beslissing in beroep:

21 januari 2014 – De tuchtmaatregel van de blaam wordt vernietigd.

Grond van de zaak:

Verwerende partij meent dat het beroep onontvankelijk is wegens een gebrek aan middelen.
Uit de lezing van het beroepsschrift blijkt dat verzoekende partij minstens één feitelijkheid vermeldt die, naar haar oordeel, ten onrechte deel uitmaakt van het tuchtdossier. Deze bewering wordt door de Kamer van Beroep beschouwd als een middel ongeacht of het argument nuttig word ingeroepen of niet. De Kamer oordeelt dat het beroep voldoet aan de ontvankelijkheidsvereisten.

De Kamer van Beroep meent dat de handelwijze van verzoekende partij niet past in hetgeen van een directie mag verwacht worden en onverenigbaar is met de elementaire deontologische omgangsregels.
De Kamer ziet voor het besluit van verzoekende partij om haar ontslagbrief en de redenen van het ontslag aan haar collega’s-directeur mede te delen echter een verschoningsgrond in het uitblijven van een ontvangstmelding van de brief en het in het ongewisse laten van verzoekende partij of het ontslag al dan niet aanvaard werd.
De handelwijze van verzoekende partij is niet ernstig genoeg om daarvoor een tuchtvordering in te stellen. De Kamer houdt daarbij rekening met de lange loopbaan van verzoekende partij waarin geen eerdere gegevens van dergelijke voorvallen werden vastgesteld.

 

2014_01: pdf bestandKamer_van_Beroep_GO_2014_01_dd.20140109.pdf (33 kB)

 

Feit:

Het benaderen van een minderjarige leerlinge op een volstrekt onprofessionele en ongepaste wijze; door een manipulatieve handelwijze een minderjarige leerlinge psychologisch terroriseren, grote verwarring bij haar veroorzaken, haar schoolloopbaan hypothekeren en haar nog meer met zichzelf in problemen brengen.

Bestreden maatregel:

Ontslag.

Beslissing in beroep:

9 januari 2014 – De tuchtmaatregel van het ontslag wordt bevestigd.

Grond van de zaak:

De Kamer van Beroep gaat ervan uit dat verzoekende partij de tenlasteleggingen niet ontkent en is van oordeel dat de feiten en misdragingen totaal ontoelaatbaar zijn in hoofde van verzoekende partij.
De Kamer wijst op het herhaald karakter van de feiten, die zijn blijven voortduren ook nadat verzoekende partij gewezen werd op het onaanvaardbaar karakter van haar gedrag.
Door de tekortkomingen is de Kamer ervan overtuigd dat verzoekende partij niet aan de basisvereisten voldoet om als leerkracht tewerkgesteld te blijven.
De omstandigheden die verzoekende partij inroept als verzachtende omstandigheden, overtuigen de Kamer niet. Het spijtgevoel kan de ernst van de feiten niet milderen.