Beslissingen Kamer van Beroep 2016 - ( Gemeenschapsonderwijs )

2016_15: pdf bestandKamer_van_beroep_GO_2016_15_dd_20161213.pdf (22 kB)

 

Feit:

1. Het namaken van facturen en deze voor inbetalingstelling doorsturen naar de scholengroep, waarbij op de nagemaakte factuur andere aangekochte producten dan op de originele facturen vermeld staan;
2. Het versturen van facturen voor inbetalingstelling aan de scholengroep waarbij de pagina waarop de gekochte producten vermeld worden, ontbrak en waarvan nu blijkt dat deze producten niet bestemd waren voor de school; 
3. Het wissen van woorden of delen van woorden op verschillende facturen die nadien voor inbetalingstelling naar de scholengroep werden gestuurd waardoor producten die niet bestemd waren voor de school werden gemaskeerd; 4. Het versturen van facturen voor inbetalingstelling naar de scholengroep waarop zich producten bevonden die niet bestemd waren voor de school of zich niet op de school bevinden; 5. Het indienen bij de scholengroep voor aankopen van goederen die zelf of door de Vriendenkring werden geprefinancierd van onkostenstaten waarop zich producten bevonden die niet bestemd waren voor de school of zich niet op de school bevinden.

Bestreden maatregel:

De tuchtmaatregel van het ontslag.

Beslissing in beroep:

13 december 2016 – Tussenbeslissing: Het beroep is ontvankelijk.

Grond van de zaak:

Uit de stukken, voorgelegd aan de Kamer van Beroep, blijkt dat de verwerende partij de kennisgeving van de tuchtstraf verzonden heeft naar een verkeerd adres en dat vervolgens op de omslag het huisnummer gewijzigd werd, zonder dat de verzoekster of de verwerende partij daarvoor een initiatief genomen hebben.
Dit doet besluiten dat het niet vast staat dat het schrijven van 15 september 2016 op 19 september 2016 op het werkelijk adres van de verzoekster  aangeboden is en dat daar een bericht in de bus is gestopt. Laatstvermelde datum mag dan ook niet gezien worden als de dies a quo voor het instellen van beroep.
Er moet, voor het berekenen van de beroepstermijn, rekening gehouden worden met de aanbieding van de brief van 15 september 2016 aan de verzoekster op 22 september 2016.  Vanaf die datum gerekend, is het beroepsschrift tijdig ingediend.

2016_14: pdf bestandKamer_van_beroep_GO_2016_14_dd_20161123.pdf (35 kB)

 

Feit:

Fysieke geweldpleging op een leerling.

Bestreden maatregel:

Ontslag om dringende redenen.

Beslissing in beroep:

23 november 2016 – Het ontslag om dringende redenen wordt bevestigd.

Grond van de zaak:

Het professioneel tekortkomen - het slecht functioneren - als leraar wordt in de regel beoordeeld via de evaluatie. De verschillende verwijten waarvan het dossier blijk geeft, kaderen daar ook in. Zulks verhindert evenwel niet dat de desbetreffende rechtsgang doorbroken kan worden door een bepaalde gebeurtenis die een onmiddellijk optreden rechtvaardigt. Te dezen gaat het om het plegen van geweld tegen een leerling. De verzoekster betwist niet dat dergelijk feit een onmiddellijk optreden rechtvaardigt.

De overeenstemmende gegevens van het dossier -te weten de verklaring van de leerling, de verklaring van het tijdsverloop tussen het gebeurde en de redactie van de verklaring en het feit dat de verzoekster in haar gesprek met de directeur het feit niet betwist heeft- doen de Kamer van Beroep besluiten dat het hardhandig bij de arm vastnemen van de betrokken leerling, met een blauwe plek tot gevolg, bewezen is.

De verzoekster brengt geen enkel gegeven aan dat de Kamer ertoe moet aanzetten de begane inbreuk met enige nuance te beoordelen. Fysiek geweld op een leerling is een ernstige aangelegenheid die niet geduld kan worden en die een dringend ontslag rechtvaardigt. Dat de directeur in dit geval het ernstig feit in het verlengde heeft geplaatst van de negatieve beoordeling van haar professioneel optreden doet daaraan geen afbreuk, maar maakt integendeel de beroepen beslissing nog begrijpelijker.

2016_13 pdf bestandKamer_van_beroep_GO_2016_13_dd_20161123.pdf (51 kB)

 

Feit:

Niet naleven van afspraken met betrekking tot het financieel beheer.

Bestreden maatregel:

Preventieve schorsing.

Beslissing in beroep:

23 november 2016 – De preventieve schorsing wordt bevestigd.

Grond van de zaak:

De Kamer van Beroep bedenkt dat het in het algemeen niet ondenkbaar is dat een schooldirecteur preventief geschorst wordt wanneer er in zijn school een onderzoek gebeurt over verrichtingen waarbij de directeur zelf betrokken is. Zij dient evenwel vast te stellen dat er in dit geval onvoldoende gegevens voorliggen die aannemelijk maken dat de verwijdering uit de school daarvoor noodzakelijk is.
Daar tegenover staat dat, naar de wil van de decreetgever -artikel 59ter, §3, eerste lid van het decreet rechtpositie personeel gemeenschapsonderwijs- de Kamer van Beroep een preventieve schorsing die uitgesproken wordt in het kader van een tuchtonderzoek -als te dezen- slechts bij unanimiteit kan vernietigen.
De uitslag van de geheime stemming over de bevestiging van de preventieve schorsing toont geen unanimiteit aan. Dit betekent dat de Kamer van Beroep, op grond van de voormelde decretale verplichting, de beslissing van de Raad van Bestuur onverlet moet laten.

2016_12pdf bestandKamer_van_beroep_GO_2016_12_dd_20160921.pdf (57 kB)

 

Feit:

Het plaatsen van problematische berichten op Facebook, ondanks eerdere waarschuwingen om uiterst omzichtig om te springen met sociale media.

Bestreden maatregel:

tuchtmaatregel van afhouding van 10% wedde gedurende 2 maanden.

Beslissing in beroep:

21 september 2016 – De tuchtmaatregel van afhouding van 10% wedde gedurende 2 maanden wordt bevestigd.

Grond van de zaak:

De Kamer van Beroep onderschrijft de opstelling van de Raad van Bestuur wat betreft de kwalificatie van de niet-betwiste feiten als tuchtfeit.  Zelfs afstand nemend van het bericht in verband met een gevonden bundel van 50 euro-biljetten, is de Kamer van Beroep van oordeel dat de twee andere Facebookberichten en de dialogen daaromtrent totaal ongepast zijn en ingaan tegen de verplichting van een leraar om zich in zijn omgang met leerlingen op een correcte wijze te gedragen. Van een leraar mag verwacht worden dat hij, zich steeds bewust van zijn opvoedende taak, zich voorbeeldig gedraagt. Die voorbeeldfunctie verplicht hem om, onder meer in de contacten met leerlingen, de nodige afstandelijkheid te bewaren. Verzoeker heeft daarmee een tuchtinbreuk gepleegd.

De wijze waarop de berichten ter kennis van het schoolbestuur zijn gekomen en de omstandigheid dat de berichten geen ruime verspreiding kregen veranderen niets aan het bestaan van de tuchtinbreuk.

De Kamer van Beroep is evenwel van oordeel dat de gebeurtenissen uit het verleden waarbij verzoekster vroeger hetzij in het algemeen, hetzij persoonlijk reeds was aangesproken op het vlak van het gebruik van de sociale media, niets afdoen aan het bestaan van de tuchtinbreuk vervat in de twee Facebookberichten.

De Kamer van Beroep beoordeelt de feiten als voldoende ernstig om, mede het verleden van de verzoekster en de bestaande instructies aan het personeel, haar thans een tuchtstraf op te leggen die haar materieel treft. De Kamer van Beroep neemt tevens in acht dat de verzoekster van geen schuldinzicht blijk gegeven heeft en dat zij derhalve niet goedschiks tot betere inzichten kan gebracht worden. De afhouding van 10% wedde gedurende twee maanden is aldus een gepaste straf.

2016_11 pdf bestandKamer_van_beroep_GO_2016_11_dd_20160705_02.pdf (51 kB)

 

Feit:

Het voortzetten van de verkoop van syllabi, ondanks expliciete richtlijnen en een formeel verbod van de directie.

Bestreden maatregel:

tuchtmaatregel van het ontslag.

Beslissing in beroep:

5 juli 2016 – De tuchtmaatregel van het ontslag wordt vernietigd. De tuchtmaatregel van de schorsing tot 30 juni 2017 wordt opgelegd.

Grond van de zaak:

De Kamer van Beroep is van oordeel dat in de voorliggende zaak  het non bis in idem-beginsel niet werd geschonden door een tweede maal hetzelfde feit ten laste te leggen. Wegens het repetitief karakter beschouwt de Kamer van Beroep de voorliggende tekortkoming als een voortdurend laakbaar handelen van verzoekster en het volharden in haar verzet om zich te conformeren aan de afspraken binnen de school.
Deze tekortkoming, m.n. het voortduren van de verkoop van cursussen ongeacht of dit buiten de instelling gebeurt en de volgehouden weigering om zich te schikken naar de hiërarchische instructies heeft geen betrekking op een tweede tenlastelegging van dezelfde feiten maar is een nieuwe tekortkoming die kan weerhouden worden als tuchtfeit en aanleiding geven tot een tuchtstraf zonder dat er sprake is van een schending van het non bis in idem-beginsel.

De Kamer van Beroep is van oordeel dat de tekortkomingen die ten laste van verzoekster worden weerhouden, m.n. het voortduren van de verkoop van cursussen ongeacht of dit buiten de instelling gebeurt en het negeren van de hiërarchische instructies, ernstige misdragingen zijn die onder generlei omstandigheid kunnen worden geduld.

De Kamer van Beroep is echter van oordeel dat in voorliggende zaak – hoe afkeurenswaardig de handelwijze ook moge zijn – het ontslag een te zware tuchtstraf is die abrupt een einde stelt aan de jarenlange loopbaan van verzoekster, waarvan het schoolbestuur erkent dat zij een goede leerkracht is.  De Kamer is overigens van oordeel dat de weerhouden tenlastelegging niet van die aard is dat ze een verdere samenwerking in de toekomst onmogelijk maakt. Om die redenen kan in redelijkheid het ontslag als sanctie voor de weerhouden tekortkomingen niet behouden blijven.
Bij het bepalen van de strafmaat heeft de Kamer van Beroep rekening gehouden met de schorsing van 5 maanden die eerder aan verzoekster werd opgelegd en met het feit dat uit het dossier niet blijkt dat zij enig inzicht heeft van schuldbesef noch van enige spijt over haar handelwijze. Na aandringen heeft verzoekster tijdens de hoorzitting wel verklaard dat zij thans een einde heeft gemaakt aan de verkoop van cursussen en dat ze zich in de toekomst zal houden aan de wettelijke en decretale voorschriften en aan de afspraken die binnen de school worden gemaakt, inzonderheid over het lesmateriaal.
Met die verbintenis voor ogen en rekening houdend met het feit dat enkel de eerste en de derde tekortkoming, m.n. de verdere verkoop van cursussen buiten de instelling en het negeren van de aanmaningen door de directie, en het zich wat dat betreft in staat van herhaling bevinden, door de Kamer van Beroep worden weerhouden, meent de Kamer dat een tuchtrechtelijke schorsing tot 30 juni 2017 in verhouding staat tot de tenlasteleggingen en aan verzoekster het vooruitzicht laat dat zij na haar schorsing haar taak als leerkracht opnieuw zal kunnen opnemen op de wijze zoals dit van haar verwacht wordt.

2016_10 pdf bestandKamer_van_beroep_GO_2016_10_dd_20160705_01.pdf (30 kB)

 

Feit:

Het voortzetten van de verkoop van syllabi, ondanks expliciete richtlijnen en een formeel verbod van de directie.

Bestreden maatregel:

preventieve schorsing.

Beslissing in beroep:

5 juli 2016 – Het beroep is zonder voorwerp.

Grond van de zaak:

De voorliggende preventieve schorsing kadert in de tuchtvordering die tegen verzoekster werd ingesteld en had tot doel haar uit de school te houden in afwachting van de afhandeling van de tuchtzaak. Dit is gebeurd met de ontslagbeslissing van 13 april 2016. 
Uit artikel 17, § 3 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 22 mei 1991 omtrent de evaluatie, maatregelen van orde en tucht in het gemeenschapsonderwijs, blijkt dat door de tuchtbeslissing van rechtswege een einde gekomen is aan de preventieve schorsing en dat binnen de bevoegdheid van de Kamer van Beroep niets meer over de preventieve schorsing die aan verzoekster is opgelegd in afwachting van tuchtuitspraak, te beslissen valt.
Het ingediende beroep heeft bijgevolg geen voorwerp meer.
 

2016_09 pdf bestandKamer_van_beroep_GO_2016_09_dd_20160629_02.pdf (66 kB)

 

Feit:

Inschrijven van fictieve internen waardoor het internaat ten onrechte bijkomende omkadering en een bijkomende dotatie kreeg.

Bestreden maatregel:

tuchtmaatregel van de schorsing voor 2 maanden.

Beslissing in beroep:

29 juni 2016 – De tuchtmaatregel van de schorsing voor 2 maanden wordt bevestigd.

Grond van de zaak:

De persoonlijke verantwoordelijkheid van de verzoeker vereiste dat hij zich liet voorlichten over de gegevens die hem werden bezorgd en dat hij desgevallend zijn personeel -te dezen de internaatsbeheerder- met bijkomende verificaties belastte, zowel ten aanzien van de inschrijving van leerlingen van het eigen … als met betrekking tot de leerlingen uit …. De omstandigheid dat de verzoeker goed wist dat de door hem verstrekte inlichtingen van directe invloed waren op de personeelsomkadering en dat een inschrijving meer of minder een onmiddellijk effect zou hebben op de inspanningen die de overheid, in wiens naam hij bestuursdaden stelt,  zal moeten dragen,  had hem moeten aanzetten elk routineus gedrag te vermijden en met een grote stiptheid toezicht te houden op de hem verstrekte gegevens.
De redenering van de raad van bestuur wordt bijgevallen. De verzoeker is tekort gekomen aan zijn verplichting om correcte gegevens aan de administratie te bezorgen. Hij is tekort geschoten in de uitoefening van zijn ambtsplichten en heeft aldus een tuchtfeit begaan.

De Kamer van Beroep valt de redenering van raad van bestuur, dat de in het onderzoeksrapport in evidentie gestelde gegevens terdege aantonen dat de verzoeker de initiatiefnemer is geweest van de frauduleuze inschrijvingen per 1 februari 2013, volledig bij. De verzoeker legt aan de Kamer van Beroep geen enkel bewijsgegeven voor ter onderbouwing van zijn argumenten, die derhalve loutere beweringen blijven.
De conclusie daaruit moet zijn dat de raad van bestuur het tuchtfeit terecht voor bewezen gehouden heeft.

De Kamer van Beroep is van oordeel dat het terzijde laten van de eerste tenlastelegging niets afdoet aan de ernst van de andere tuchtinbreuken, die op zich en met de motivering van de strafmaat, ontwikkeld in de beroepen beslissing, een schorsing van twee maanden rechtvaardigen.

2016_08 pdf bestandKamer_van_beroep_GO_2016_08_dd_20160629_01.pdf (31 kB)

 

Feit:

Ontoelaatbare communicatie met leerlingen via Facebook.

Bestreden maatregel:

Preventieve schorsing.

Beslissing in beroep:

29 juni 2016 – Het beroep is zonder voorwerp.

Grond van de zaak:

Artikel 17,§3, eerste lid, van het besluit van 22 mei 1991 bepaalt: “Aan de preventieve schorsing komt van rechtswege een einde bij de tuchtrechtelijke uitspraak over dezelfde feiten waarvoor het personeelslid preventief werd geschorst.”
Toegepast op het voorliggend geval betekent dit dat de tuchtstrafbeslissing van 14 juni 2016 tot gevolg heeft dat binnen het actief bestuur -en afgezien van de vraag of de verzoekster alsnog in de voorwaarden is om de beroepen beslissing aan een rechterlijke toetsing te onderwerpen- niets meer over de preventieve schorsing, die aan de verzoekster was opgelegd in afwachting van een uitspraak in de tuchtprocedure, te beslissen valt.
Het ingediend beroep heeft bijgevolg geen voorwerp meer. De Kamer van Beroep is niet langer bevoegd om een beslissing ten gronde te nemen.

2016_07 pdf bestandKamer_van_beroep_GO_2016_07_dd_20160412.pdf (54 kB)

 

Feit:

Ondermaats functioneren; onheus bejegenen van leerlingen.

Bestreden maatregel:

Ontslag om dringende redenen.

Beslissing in beroep:

12 april 2016 – Het ontslag om dringende redenen wordt vernietigd.

Grond van de zaak:

De Kamer van Beroep volgt de verwerende partij in haar redenering dat een ontslag om dringende redenen regelmatig kan gesteund worden op feitelijke gegevens die meer dan drie dagen vóór het ontslag aan het bestuur bekend waren, voor zover die met het laatste feit, waarvan het bestuur wél binnen de drie werkdagen voor het ontslag een voldoende kennis had, een geheel vormen.

De Kamer van Beroep is van oordeel dat de tegenwerpingen van de verzoeker tegen de feiten die tegen hem worden ingebracht de klachten tegen hem niet tegenspreken. Zij besluit het dossier voldoende stukken bevat die aantonen dat de verzoeker niet behoorlijk functioneert.

Het is voor de Kamer van Beroep duidelijk dat de problemen, die de verzoeker van in den beginne heeft gehad op het vlak van zijn functioneren en die in verschillende verslagen zijn gerelateerd, door het schoolbestuur behandeld zijn als een instrument van evaluatie.
De Kamer van Beroep ontwaart in het dossier evenwel geen gegevens die het bestuur kon toelaten begin maart 2016 plots het geweer van schouder te veranderen en af te stappen van de procedure inzake de evaluatie.
In die omstandigheden is de Kamer van Beroep van oordeel dat het dossier van de zaak niet doet blijken van een nieuw specifiek gegeven dat zich voegde bij alle vorige negatieve ervaringen met de verzoeker en dat de schooldirecteur, méér dan vorige gegevens die bij de school bekend waren, regelmatig had kunnen doen besluiten dat hij alle vaststellingen, die in het kader van een evaluatie tegen de verzoeker opgesteld waren, terzijde kon schuiven om, gebruik makend van de hem toegewezen bevoegdheid inzake het ontslag om dringende reden, buiten de raad van bestuur om de verzoeker te ontslaan. In die zin wijst de verzoeker terecht op het oneigenlijk gebruik van de ontslagregeling vermeld in artikel 24 van het rechtspositiedecreet.

 

2016_06 pdf bestandKamer_van_beroep_GO_2016_06_dd_20160307_02.pdf (48 kB)

 

Feit:

Grensoverschrijdend gedrag (ongewenst seksueel gedrag, seksuele intimidatie).

Bestreden maatregel:

Beslissing van 24 februari 2015 tot bevestiging en bekrachtiging van de beslissing van 10 februari 2015 tot preventieve schorsing bij hoogdringendheid ; Beslissing van 11 januari 2016 om de Onderzoekscel van het GO! te vragen een bijkomend onderzoek in te stellen en de preventieve schorsing te continueren.

Beslissing in beroep:

7 maart 2016 – De preventieve schorsing wordt vernietigd.

Grond van de zaak:

Over het beroep tegen de beslissing van 24 februari 2015
De Kamer van Beroep bevestigt te dezen de stelling, verwoord in de zaak GO/2013/03 van 18 februari 2013, dat zij bij de beoordeling van een aangelegenheid in het kader van artikel 59ter, §1, derde lid, van het rechtspositiedecreet, zich de vraag moet stellen of de nieuw aangebrachte gegevens, voor zover ze bewezen worden, geen nieuw licht op de zaak werpen in de zin dat de voorwaarden voor het opleggen van de preventieve schorsing mogelijks niet meer vervuld zijn.

De Kamer van Beroep besluit dat de seponeringsbeslissing op zich geen element is dat een impact moet hebben op de beoordeling van de noodzaak om de verzoeker voorlopig buiten de dienst te houden. Het is geen ‘nieuw element’ om de genomen beslissing te heroverwegen.

Over het beroep tegen de beslissing van 11 januari 2016

De preventieve schorsing van de verzoeker in het kader van het tuchtonderzoek d.d. 4 maart 2015 is sinds 10 februari 2016 beëindigd. Van ‘continueren’ van die schorsing kan op dit ogenblik geen sprake zijn. Er bestaat voorts geen beslissing over een nieuw tuchtonderzoek. En er is ook geen procedure gevoerd om de verzoeker buiten elk tuchtonderzoek om preventief te schorsen. De beslissing van 11 januari 2016 moet ongedaan worden gemaakt en de Raad van Bestuur zal moeten vaststellen dat, juridisch bekeken, de verzoeker sinds 10 februari 2016 zijn plaats in de school opnieuw ingenomen heeft.

2016_05 pdf bestandKamer_van_beroep_GO_2016_05_dd_20160307_01.pdf (60 kB)

 

Feit:

Het sturen van ongepaste e-mails aan de viceminister-president van de Vlaamse Regering en het doelbewust voorliegen van de raad van bestuur over de omvang van de correspondentie met de minister.

Bestreden maatregel:

De tuchtmaatregel van terugzetting in rang.

Beslissing in beroep:

7 maart 2016 – De tuchtmaatregel van van terugzetting in rang wordt bevestigd.

Grond van de zaak:

Uit de formulering van de beslissing blijkt toch dat de raad van bestuur aan de tweede tenlastelegging niet hetzelfde belang hecht als aan de eerste. De raad van bestuur koppelt in alle duidelijkheid de opgelegde tuchtstraf aan het eerste tuchtfeit. De Kamer van Beroep onderzoekt derhalve de beslissing in de eerste plaats vanuit de eerste tenlastelegging.

De verzoeker stelt ten onrechte dat de raad van bestuur zich te veel heeft toegespitst op het emotionele aspect van de zaak en dat hij uit de beroepen beslissing niet echt kan opmaken welke beroepsfout hij gemaakt zou hebben.

De verzoeker levert ook voor de Kamer van Beroep het bewijs dat hij zijn intieme overtuiging heeft laten primeren op het belang van het gemeenschapsonderwijs, waarin de neutraliteitsgedachte -te dezen de zorg voor de gelijke toegang van elkeen- een grondbeginsel is. En die voorrang, die een bewuste keuze van de verzoeker is en waarvan hij op geen enkele wijze afstand neemt, is door de verwerende partij betrokken op de beoordeling van de strafmaat, waar, samengevat, gesteld wordt dat iemand die vasthoudt aan zijn persoonlijke overtuiging en die overtuiging niet kan overstijgen wanneer zij in concurrentie komt met de grondbeginselen die de uitoefening van zijn functie beheersen, die functie niet meer kan vervullen. Evident mag de verzoeker een mening hebben, ook in politieke aangelegenheden, maar als personeelslid en zeker als schooldirecteur binnen het gemeenschapsonderwijs, is zijn vrijheid om die mening op het publieke forum te belijden niet onbeperkt, aangezien de wijze waarop aan de persoonlijke mening gestalte wordt gegeven, verzoend moet worden met de regels die het belang van de dienst, waar hij zich vrijwillig in geëngageerd heeft, beheersen.
In die zin onderschrijft de Kamer van Beroep de redenering van de raad van bestuur dat de innerlijke overtuiging van de verzoeker, die aanleiding heeft gegeven tot het mailverkeer en de uitspraak dat NV-A’ers niet welkom zijn op zijn school, en die hij gestand doet, hem verhindert zijn werk van schooldirecteur objectief en met inachtneming van het neutraliteitsbeginsel te vervullen, zodat hij van dat ambt weggehouden moet worden.

De Kamer van Beroep besluit:
a) dat het eerste aan de verzoeker ten laste gelegde tuchtfeit bewezen is, zowel waar het betrekking heeft op de inhoud -de uitspraak dat hij geen leden van de NV-A in zijn school duldt- als waar het betrekking heeft op de vorm -de volstrekt ongepaste taal. De Kamer van Beroep onderschrijft de motivering die de raad van bestuur ter zake heeft ontwikkeld.
b) dat deze tenlastelegging een gegeven is dat op het vlak van de straftoemeting beoordeeld mag worden in het licht van de politieke opvatting die de verzoeker ontwikkeld heeft, die hij nu ook gestand doet, en die haaks staat op het neutraliteitsbeginsel, dat elk personeelslid van het gemeenschapsonderwijs onderschreven heeft en moet verdedigen. Deze botsing van ideeën en de uit het tuchtfeit blijkende onmogelijkheid van de verzoeker om daar het noodzakelijk compromis in te vinden, rechtvaardigt zijn verwijdering uit het ambt door hem te straffen met een terugzetting in rang. De Kamer van Beroep onderschrijft ook op dit vlak de motivering die de raad van bestuur ter zake heeft ontwikkeld.

 

2016_04 pdf bestandKamer_van_beroep_GO_2016_04_dd_20160223.pdf (47 kB)

 

Feit:

Schuldig verzuim door de mededelingen van de ergotherapeuten betreffende de permanente buikpijn waarover een leerling klaagde en de link met een mogelijke seksueel misbruik, compleet te hebben genegeerd waardoor het seksueel misbruik jaren is kunnen doorgaan.

Bestreden maatregel:

De tuchtmaatregel van het ontslag.

Beslissing in beroep:

23 februari 2016 – De tuchtmaatregel van het ontslag wordt vernietigd. De schorsing voor de duur van één maand wordt opgelegd.

Grond van de zaak:

De vereiste om de feiten in de tijd precies te duiden sluit niet uit dat verwezen wordt naar een afgebakende periode. De tenlastelegging verwijst in dit geval naar de periode waarin het betrokken kind op de school aanwezig was als leerling en de verzoekster heeft er zich tegenover de Raad van Bestuur nooit over beklaagd -en zij doet dat nu ook niet in haar beroepsschrift- dat zij zich, wegens de vage duiding in de tijd van de ten laste gelegde feiten, niet naar wens heeft kunnen verdedigen.

Op grond van het verslag van de Onderzoekscel neemt de Kamer van Beroep, in navolging van de Raad van Bestuur, aan dat de ergotherapeuten de verzoekster in kennis hebben gesteld van het feit dat het betrokken kind gedurende een bepaalde periode klaagde over buikpijn, dat de verzoekster ook ervan verwittigd was dat dit verband kon houden met seksueel misbruik in het gezin en dat zij met die signalen niets heeft gedaan.
Van de koppeling van de nalatigheid van de verzoekster en het langdurig misbruik van de leerlingen ligt niet het minste bewijs voor.

De verzoekster betwist niet dat zij, als klastitularis, binnen het informeel systeem van informatieuitwisseling dat op het ogenblik van de feiten binnen de school bestond, de opdracht had om problemen in het schoolgebeuren te melden en dat de personeelsleden van haar verwachtten dat zij die opdracht ter harte zou nemen. Zij diende aldus te weten dat, indien zij niets deed met de klachten van de ergotherapeuten, de informatiestroom naar de instanties die bevoegd waren om initiatieven te nemen, onderbroken werd. In die zin heeft zij haar ambtsplichten verwaarloosd en kon de Raad van Bestuur haar die tekortkoming als een tuchtinbreuk aanrekenen.

Bij ontstentenis van enige schriftelijke neerslag van de vaststellingen en van de mededelingen van de ergotherapeuten, is het onmogelijk om te beoordelen wat concreet aan de verzoekster is meegedeeld en enkel uit dergelijk stuk zou nu kunnen opgemaakt worden in welke mate de verzoekster de ernst van het probleem omtrent het betrokken kind genegeerd heeft. In dat kader komt de verwijzing in het beroepen besluit naar de ontstentenis van schulderkenning door de verzoekster overtrokken over. Het pleit alvast niet in het voordeel van de ergotherapeuten dat, indien zij ervan overtuigd waren dat de verzoekster niet inging op hun -al dan niet gedocumenteerde- klachten terwijl die klachten onmiskenbaar een krachtig optreden vereisten, zij zelf de zaak niet op een hoger echelon aanbrachten.
Die overwegingen brengen de Kamer van Beroep tot het besluit dat de wegzending van de verzoekster uit de school een te zware sanctie is.

Wel is het zo dat de verzoekster, wetende dat zij een belangrijke schakel was in de ketting van het besluitvormingsproces over de opvolging van de kinderen,  geen enkele stap gezet heeft om duidelijkheid te brengen in de zaak en de noodzaak van verder optreden af te wegen.
Die elementen  rechtvaardigen dat aan de verzoekster, die ernstig aan haar ambtsplichten tekortgekomen is in een aangelegenheid van mogelijke aantasting van de integriteit van de kinderen die zij onder haar hoede had,  een straf wordt opgelegd die voor haar tastbare gevolgen heeft en die naar de professionele omgeving toe ook duidelijk laat blijken dat het bestuur niet duldt dat het personeel lichtzinnig met zijn verantwoordelijkheden omspringt, zeker in gevallen waarin de fysieke en psychische integriteit van de leerlingen in het gedrang zou kunnen komen.
De schorsing voor de duur van één maand is in dat opzicht een redelijke straf.

2016_03 pdf bestandKamer_van_beroep_GO_2016_03_dd_20160219.pdf (59 kB)

 

Feit:

Rol in de conflictueuze relatie tussen de diverse entiteiten op de campus.

Bestreden maatregel:

Preventieve schorsing.

Beslissing in beroep:

19 februari 2016 – De preventieve schorsing wordt bevestigd.

Grond van de zaak:

De Kamer van Beroep kan een preventieve schorsing die uitgesproken wordt in het kader van een tuchtonderzoek slechts bij unanimiteit vernietigen. De uitslag van de geheime stemming over de bevestiging van de preventieve schorsing toont geen unanimiteit aan. Dit betekent dat de Kamer van Beroep de beslissing van de Raad van Bestuur onverlet moet laten.

2016_02 pdf bestandKamer_van_beroep_GO_2016_02_dd_20160126.pdf (58 kB)

 

Feit:

Ongepast hardhandig fysiek contact met een leerling.

Bestreden maatregel:

De tuchtmaatregel van de schorsing voor één jaar.

Beslissing in beroep:

26 januari 2016 – De tuchtmaatregel van de schorsing voor één jaar wordt vernietigd. De tuchtmaatregel van de schorsing voor één maand wordt opgelegd. 

Grond van de zaak:

De Kamer van Beroep is van oordeel dat er sprake is van een fysieke aanraking waarbij een leerling zichtbare letsels aan het lichaam opliep, maar dat dit gekaderd moet worden in een kluwen van duwen en trekken, waarbij de verzoeker de controle over zichzelf verloren heeft en de leerling zo hardhandig verwond heeft. Aldus bezien heeft de raad van bestuur dan ten onrechte aan de feiten de kwalificatie “stevige kniestoten” meegegeven, maar blijft in ieder geval de tenlastelegging van ongepast hardhandig fysiek contact overeind. De tuchtinbreuk dient in die zin aangepast te worden.

Over een tweede incident stelt de Kamer van Beroep vast dat de verzoeker niet betwist dat hij met de hand een tik heeft gegeven. Aangezien de leerlingenbegeleidster daags na de feiten evenwel vastgesteld heeft dat het linkeroog van de leerling rood was en het dossier daarover geen concrete tegenaanwijzingen bevat, mag aangenomen worden dat het haematoom het gevolg is van een slag die de verzoeker de leerling heeft toegebracht. Ook hier moet rekening gehouden worden met de mogelijkheid dat de verzoeker, buiten zichzelf reeds door het geharrewar met de leerling, onbewust veel harder geslagen heeft dan hij bedoelde. Uiteindelijk blijft derhalve de vaststelling dat de verzoeker, deze leerling op het hoofd geslagen heeft. In die zin wordt de tuchtinbreuk aangepast.

De straf van de verwijdering van de verzoeker uit de dienst voor een jaar komt de Kamer van Beroep evenwel te streng voor. Uit het dossier blijkt niet en de verwerende partij voert ook niet aan dat de verzoeker eerder tijdens zijn professionele carrière reeds feitelijkheden van vergelijkbare aard gepleegd heeft. Het blijkt zelfs niet dat de verzoeker zich ooit in het kader van een functioneringsgesprek heeft moeten verantwoorden voor enig niet-correct optreden tegen moeilijke leerlingen.
Daar tegenover staat wel dat het absoluut ontoelaatbaar karakter van de aantasting van de fysieke integriteit van elke leerling een straf noodzaakt die voor de verzoeker tastbare materiële gevolgen heeft -waardoor hij zal inzien dat hij zichzelf naar de toekomst toe beter in acht moet nemen- en waarbij alle actoren die bij het schoolgebeuren betrokken zijn duidelijk kunnen zien dat het schoolbestuur daadwerkelijk optreedt tegen ontoelaatbare gedragingen.

2016_01 pdf bestandKamer_van_beroep_GO_2016_01_dd_20160114.pdf (69 kB)

 

Feit:

Het bedrieglijk wegnemen van een geldsom van 100 euro uit de handtas van een collega.

Bestreden maatregel:

De tuchtmaatregel van het ontslag.

Beslissing in beroep:

14 januari 2016 – De tuchtmaatregel van het ontslag wordt bevestigd.

Grond van de zaak:

De Kamer van Beroep valt de uiteenzetting van de verwerende partij met betrekking tot de grief van de verjaring bij: omdat er een strafonderzoek op gang was gekomen was de tuchtoverheid er reglementair niet toe verplicht om binnen de zes maanden na de kennisneming van de feiten de verzoekster in kennis te stellen van de beslissing van de raad van bestuur om een tuchtonderzoek te voeren en aldus de tuchtvervolging in te stellen; de raadkamer heeft de verzoekster op 7 maart 2014 buiten vervolging gesteld voor een aantal diefstallen waarvan de verzoekster oorspronkelijk verdacht werd, maar die beslissing was geen eindbeslissing, aangezien de raadkamer toen precies besliste om de verzoekster naar de correctionele rechtbank te verwijzen voor de diefstal van 3 mei 2012; de eindbeslissing op strafrechtelijk vlak is de beschikking van niet-toelaatbaarheid van het Hof van Cassatie, gegeven op 20 augustus 2015; de verzoekster betwist niet dat, zoals vermeld in de aan haar gerichte aangetekende brief van 30 juni 2015, de Raad van Bestuur op 18 juni 2015 -dus reeds vóór de mededeling van de eindbeslissing- besloten heeft de tuchtprocedure doorgang te laten vinden.
Eens het bestuur volledige duidelijkheid had gekregen over de afhandeling van het gerechtelijk dossier, heeft het onmiddellijk gehandeld en is het binnen een redelijke termijn tot een eindbeslissing gekomen. De Kamer van Beroep verwerpt in die omstandigheden de argumentatie van de verzoekster met betrekking tot de verjaring van de tuchtvordering en het niet-respecteren van de redelijke termijn.

Het bewijs van het ten laste gelegde feit ligt in het arrest van het Hof van Beroep waarbij het feit van huisdiefstal bewezen wordt verklaard en dat op dat punt erga omnes gelding heeft. Het bestuur mag terzake geen ander standpunt innemen.

De Kamer van Beroep is van oordeel dat diefstal ten nadele van een collega binnen het werkmilieu, een zeer ernstig vergrijp uitmaakt dat op zich elke vertrouwensrelatie met het bestuur en de collega’s verbreekt en dat de verzoekster de nodige autoriteit ontneemt om nog met leerlingen en ouders in contact te komen. De omstandigheid dat de verzoekster tot nog toe haar opdracht met volle inzet en tot ieders tevredenheid vervuld heeft en dat zij nog geen tuchtrechtelijke veroordeling opliep, staat er niet aan in de weg dat het vergrijp onmiddellijk resulteert in de definitieve verwijdering uit de dienst.