Beslissingen Kamer van Beroep 2016 ( Officieel onderwijs )

2016_213: pdf bestandKamer_van_Beroep_GOO_2016_213_dd_20161130.pdf (41 kB)

 

Feit:

Niet-naleving van de duidelijke instructies van het college tot het geven van zwemlessen en met naleving van de aanbevelingen van de externe preventieadviseur-arbeidsgeneesheer; de werkweigeringen, met name om zwemles te geven.

Tuchtmaatregel:

Schorsing bij tuchtmaatregel van 4 maanden.

Beslissing in beroep:

30 november 2016 – Schorsing bij tuchtmaatregel van 4 maanden wordt vernietigd. De Kamer van Beroep legt als sanctie ‘blaam’ op.

Grond van de zaak:

De Kamer van Beroep kan zich niet van de indruk ontdoen dat verzoekende partij eigengereid heeft geoordeeld dat zij geen zwemlessen diende te geven, zelfs niet met de bijzondere beschermende maatregelen die door de arbeidsgeneesheer werden geadviseerd. De Kamer van Beroep neemt aan dat verzoekende partij op 13 en 20 oktober heeft geweigerd om zwemles te geven terwijl verwerende partij mocht aannemen dat verzoekende partij onder bepaalde voorwaarden arbeidsgeschikt was met die bijzonderheid dat de verwerende partij niet op de hoogte was waar verzoekende partij zich op dat ogenblik bevond.

Hoewel de voorgelegde attesten van huisarts niet in aanmerking worden genomen, valt het op dat verwerende partij enkel de feiten van 13 en 20 oktober 2015 als tuchtfeit heeft weerhouden en de weigeringen van verzoekende partij om op andere in het lesrooster voorziene dagen zwemles te geven, niet als tekortkomingen ten laste heeft gelegd.

De Kamer van Beroep gaat ervan uit dat enkel de weigering om op 13 en 20 oktober 2015 zwemles te geven als tuchtfeit wordt weerhouden en is van oordeel dat voor die tekortkoming – en enkel die – de schorsing voor de duur van vier maanden met inhouding van 50 % van de wedde in redelijkheid niet kan verantwoorden. De bestreden tuchtstraf dient dus te worden vernietigd.

2016_212: pdf bestandKamer_van_Beroep_GOO_2016_212_dd_20161130.pdf (26 kB)

 

Feit:

Het openen en beheren van een rekening in naam van de academie, waarvan het personeelslid persoonlijk titularis is; het niet respecteren van de afspraken omtrent financieel beheer; het weigeren toelichting te geven bij de uitgaven die gebeuren via deze rekening en het eventueel afwenden van de middelen voor eigen gebruik.

Tuchtmaatregel:

Er wordt geen tuchtsanctie opgelegd na het opstarten van een tuchtprocedure.

Beslissing in beroep:

30 november 2016 – De Kamer van Beroep verklaart zich onbevoegd.

Grond van de zaak:

De Kamer van Beroep vestigt er de aandacht op dat zij geen andere bevoegdheid heeft dan degene die in het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding is vastgelegd en dat de Kamer van Beroep ambtshalve moet onderzoeken of zij in een concreet geval bevoegd is om de voorgelegde zaak te behandelen en hierover uitspraak te doen.

De Kamer van Beroep doet in laatste aanleg uitspraak over het beroep dat door een personeelslid werd ingesteld tegen: 1) een ontslag om dringende reden; 2) een preventieve schorsing en 3) tuchtmaatregelen zoals voorzien in artikel 64 van het decreet Rechtspositieregeling van 27 maart 1991.

In voorliggend geval wijst de Kamer van Beroep erop dat het beroep dat de verzoeker heeft ingesteld geen betrekking heeft op een tuchtstraf zoals bepaald in artikel 64 van het decreet Rechtspositieregeling van 27 maart 1991 noch op een andere aangelegenheid waarvoor de Kamer van Beroep bevoegd is. Het beroep is bijgevolg onontvankelijk wat het voorwerp betreft.

2016_211: pdf bestandKamer_van_Beroep_GOO_2016_211_dd_20160928.pdf (55 kB)

 

Feit:

Het uiten van negationistische, revisionistische en antisemitische uitspraken en uitlatingen ten overstaan van de leerlingen; publiceren en verspreiden van negationistische, revisionistische en antisemitische uitspraken en uitlatingen op én via het internet.

Tuchtmaatregel:

Ontslag bij tuchtmaatregel.

Beslissing in beroep:

28 september 2016 – Ontslag bij tuchtmaatregel wordt bevestigd.

Grond van de zaak:

Dat de verklaringen pas maanden na de feiten zijn opgetekend, neemt niet weg dat de “uitleg” van de verzoeker bij de leerlingen een indruk heeft nagelaten die zij uit hun herinnering aan de tuchtonderzoeker hebben verteld. Het mededelen op een later tijdstip wat de leerlingen van verzoeker als kerngedachte hebben gehoord en onthouden, wil niet zeggen dat de verklaringen van de leerlingen niet geloofwaardig zouden zijn wat de grond van de zaak betreft.

De Kamer van Beroep wijst erop dat in geval van twijfel over de geloofwaardigheid van de inhoud, het verzoeker vrij stond om leerlingen of oud-leerlingen op te roepen als getuigen om hun verklaringen te horen ontkennen of bevestigen.

De Kamer van Beroep is van oordeel dat de uitlatingen tegenover de leerlingen en de teksten op het webforum van Knack dermate ernstig en afkeurenswaardig zijn dat het niet verwonderlijk is dat door die feiten verzoeker bij het schoolbestuur, maar ook bij de directie en collega’s en mogelijks ook bij derden, de algemene verontwaardiging en afkeuring heeft opgewekt en zonder de minste twijfel de eer en de waardigheid van zijn functie als leraar, evenals het imago van de school zeer ernstig heeft geschaad. De Kamer van Beroep twijfelt er niet aan dat, ongeacht zijn normaal functioneren, verzoeker door het op voormelde wijze veruitwendigen van zijn gedachtegoed de eer en de waardigheid van zijn ambt heeft geschaad en de plichten zoals die aan de leerkrachten in de rechtspositieregeling zijn opgelegd, heeft miskend.

Volledigheidshalve verwijst de Kamer van Beroep ook naar de Deontologische Code voor het Personeel van de Gemeente en waarin staat dat het personeel de neutraliteit moet respecteren.
De verwijzing naar de vrijheid van meningsuiting kan dit niet verschonen.

De Kamer van Beroep wijst ten slotte erop dat het niet aan de Kamer toekomt om te oordelen over de ziektetoestand van verzoeker en een oordeel te vellen over de weerslag van die ziektetoestand op zijn functioneren en zijn gedragingen.

2016_210: pdf bestandKamer_van_Beroep_GOO_2016_210_dd_20160914.pdf (47 kB)

 

Feit:

Met geweld of bedreiging aanranden van de eerbaarheid van een minderjarige.

Tuchtmaatregel:

Terugkeer tot de tijdelijke aanstelling.

Beslissing in beroep:

14 september 2016 – Terugkeer tot de tijdelijke aanstelling wordt bevestigd.

Grond van de zaak:

Verzoekende partij beklaagt zich over het grote tijdsverloop tussen het plegen van de feiten en de tuchtvordering en ze is van oordeel dat rekening moet worden gehouden met de specifieke context dat slechts jaren na de feiten een strafklacht werd ingediend.

Voor zover dit bezwaar betrekking heeft op de lange tijdsduur tussen het plegen van de feiten in 2009-2010 en het instellen van een tuchtvordering, vestigt de Kamer van Beroep er de aandacht op dat het tijdsverloop niet aan de tuchtoverheid te wijten is. Nadat het stadsbestuur op 29 oktober 2015 de uitspraak van het Hof van Beroep in handen heeft gekregen en te weten is gekomen welke feiten door het Hof van Beroep ten laste van verzoekende partij als bewezen werden beschouwd, heeft het schoolbestuur op 9 november 2015 – dus quasi onmiddellijk – de tuchtprocedure opgestart.

Voor zover verzoekende partij zich erover beklaagt dat zij zich in 2016 voor de tuchtoverheid moet verantwoorden voor feiten die in 2009-2010 zijn gepleegd en hierbij mogelijks alludeert op een verminderde draagwijdte van de feiten door het tijdsverloop, merkt de Kamer van Beroep op dat niettegenstaande de feiten in 2009-2010 zijn gepleegd, de feiten hun tuchtrechtelijke draagwijdte niet verliezen door het tijdsverloop dat het gevolg is van een strafrechtelijke procedure en na die procedure door de tuchtoverheid als tekortkomingen kunnen worden weerhouden en tuchtrechtelijk kunnen worden bestraft.

Verzoekende partij benadrukt dat de feiten in de privésfeer zijn gepleegd en dat de ten laste gelegde feiten bij het publiek bekend zijn geraakt door twee krantenberichten.
De Kamer van Beroep herinnert eraan dat in tuchtzaken in principe enkel tekortkomingen aan de beroepsverplichtingen als personeelslid kunnen worden bestraft. Feiten uit het privéleven van een personeelslid kunnen normaliter geen aanleiding geven tot een tuchtrechtelijke vervolging maar dit geldt enkel voor zover die feiten of gedragingen geen weerslag hebben op de relatie tussen de leerling en het personeelslid of het schoolleven en geen afbreuk doen aan de eer of de waardigheid van de functie in het onderwijs en geen inbreuk vormen op andere beroepsplichten die het personeelslid moet naleven.
Naar het oordeel van de Kamer van Beroep zijn de feiten die door het Hof van Beroep als bewezen werden weerhouden dermate ernstig dat zij de eer en de waardigheid van de functie als leraar en het imago van de onderwijsinrichting hebben geschaad zelfs wanneer die feitelijkheden zich in de privésfeer hebben voorgedaan.
De Kamer van Beroep wijst er ook op dat in voorliggend geval het feiten betrof die zich, voor zover haar bekend, weliswaar in de privésfeer hebben voorgedaan, maar dat het een leerling betrof van de school en de klasgroep van verzoekende.

2016_209: pdf bestandKamer_van_Beroep_GOO_2016_209_dd_20160622.pdf (59 kB)

 

Feit:

Veroordeling wegens bezit van pornografisch materiaal waarbij minderjarigen betrokken zijn of worden voorgesteld en surfen naar websites waarop kinderpornografische afbeeldingen aangeboden worden.

De school en het schoolbestuur niet informeren over het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg en het arrest van het hof van beroep n.a.v. deze zwaarwichtige feiten.

Tuchtmaatregel:

Ontslag bij tuchtmaatregel.

Beslissing in beroep:

22 juni 2016 – Ontslag bij tuchtmaatregel wordt bevestigd.

Grond van de zaak:

In tuchtzaken kunnen in principe enkel tekortkomingen aan de beroepsverplichtingen als personeelslid worden bestraft. Feiten uit het privéleven van een personeelslid kunnen normaliter geen aanleiding geven tot een tuchtrechtelijke vervolging maar dit geldt enkel voor zover die feiten of gedragingen geen weerslag hebben op de relatie tussen de leerling en het personeelslid of het schoolleven en geen afbreuk doen aan de eer of de waardigheid van de functie in het onderwijs en geen inbreuk vormen op andere beroepsplichten die het personeelslid moet naleven.

Naar het oordeel van de Kamer van Beroep zijn de feiten die door het Hof van Beroep als bewezen worden weerhouden en waarvoor de betrokkene is veroordeeld, dermate ernstig en afkeurenswaardig dat door die feiten de leerkracht bij het schoolbestuur de verontwaardiging en afkeuring heeft opgewekt en de eer en de waardigheid van zijn functie als leraar heeft geschaad.

Uit de gerelateerde en bewezen feiten wordt overduidelijk aangetoond dat de leerkracht de doelstellingen van het pedagogisch project niet heeft gediend en schromelijk tekort is gekomen aan de voorbeeldfunctie die van hem in het onderwijsproces verwacht wordt met de verzwarende omstandigheid dat de leerkracht wetens en willens het beeldmateriaal heeft bijeengebracht en digitaal heeft opgeslagen waarbij minderjarigen betrokken zijn of worden voorgesteld in houdingen of seksuele handelingen met pornografisch karakter. De noodzakelijke vertrouwensband tussen het schoolbestuur en de leerkracht is hierdoor op onherstelbare wijze verbroken.

2016_208: pdf bestandKamer_van_Beroep_GOO_2016_208_dd_20160602.pdf (35 kB)

 

Feit:

Weigeren om deel te nemen aan een functioneringsgesprek; niet-naleven van de duidelijke instructies van het college tot het geven van zwemlessen en met naleving van de aanbevelingen van de externe preventieadviseur-arbeidsgeneesheer; werkweigering met name om zwemles te geven.

Tuchtmaatregel:

Preventieve schorsing en 1/5 afhouding van wedde.

Beslissing in beroep:

2 juni 2016 – Preventieve schorsing en 1/5 afhouding van wedde wordt vernietigd.

Grond van de zaak:

De verzoekende partij gaat gedetailleerd in op elk van de tenlasteleggingen en poogt zij de tenlasteleggingen te weerleggen. Deze argumentatie betreft echter de grond van de zaak en heeft betrekking op de beweerde feiten en gedragingen waaromtrent door de tuchtoverheid moet uitgemaakt worden of ze al dan niet als tuchtfeiten kunnen worden beschouwd en eventueel aanleiding kunnen geven tot een tuchtstraf.  

De Kamer van Beroep is van oordeel dat de aangehaalde feitelijkheden en de precieze draagwijdte van de handelwijze van de leerkracht nader moeten worden onderzocht in het kader van het tuchtonderzoek.

De Kamer van Beroep ziet niet in dat de leerkracht wegens de vermelde feiten niet verder zou kunnen functioneren op de school in afwachting van het beëindigen van het tuchtonderzoek en eventueel van het zoeken naar een passende oplossing.

De Kamer van Beroep is van oordeel dat de aangehaalde feitelijkheden m.n. twee lesuren geen zwemles geven en geen gevolg geven aan een uitnodiging van de directie in redelijkheid niet voldoende zwaarwichtig zijn om te besluiten dat de aanwezigheid van de leerkracht onverenigbaar is met het belang van de dienst en dat zij uit de school moet verwijderd worden met het ontzeggen van het verder lesgeven als gevolg. Bovendien wijst de Kamer van Beroep er op dat de preventieve schorsing opgelegd wordt met een inhouding van 1/5de van haar laatste bruto-activiteitssalaris.

2016_207: pdf bestandKamer_van_Beroep_GOO_2016_207_dd_20160518.pdf (42 kB)

 

Feit:

Slagen en verwondingen aan een leerling en het bezit van pornografisch materiaal waarbij
minderjarigen betrokken zijn.

Tuchtmaatregel:

Ontslag bij tuchtmaatregel.

Beslissing in beroep:

18 mei 2016 – Ontslag bij tuchtmaatregel wordt vernietigd en schorsing van 1 jaar bij tuchtmaatregel wordt opgelegd.

Grond van de zaak:

Het Hof van Beroep beperkt de eerste tenlastelegging ‘Slagen en verwondingen aan een leerling’ tot het pijnlijk in de arm knijpen van een leerling en de leerkracht wordt voor de tweede tenlastelegging ‘het bezit van pornografisch materiaal waarbij minderjarigen betrokken zijn’ vrijgesproken omdat die tenlastelegging naar het oordeel van het Hof als niet bewezen wordt beschouwd en niet afdoende vaststaat dat de enkele bestanden met een mogelijk kinderpornografisch karakter die aangetroffen werden tussen een grote hoeveelheid ander pornografisch film- en fotomateriaal, wetens in bezit genomen werden en dat er geen aanwijzingen zijn dat de leerkracht bewust op zoek ging naar materiaal met kinderpornografisch karakter.
De tuchtoverheid en ook de Kamer van Beroep moet het strafrechtelijk gewijsde eerbiedigen.

De Kamer van Beroep is wel van oordeel dat de weerhouden tenlastelegging moet worden gezien in een ruimer kader van het schoolgebeuren en de algemene deontologie en inzonderheid de voorbeeldfunctie die een leerkracht in het onderwijsproces heeft. Daarbij komt nog dat de leerkracht tijdens de hoorzitting toegeeft dat er onregelmatigheden zijn gebeurd. De weerhouden tenlastelegging betreft dus geen alleenstaand feit, met de verzwarende omstandigheid dat de betrokkene een leerkracht is in het buitengewoon onderwijs en dus werkt met kwetsbare leerlingen.

Met deze feitelijke omstandigheden voor ogen is de Kamer van Beroep van oordeel dat de leerkracht schromelijk tekort is gekomen in de uitoefening van zijn taak en in de zorg die men mag verwachten van een leerkracht en des te meer één die met leerlingen uit het buitengewoon onderwijs omgaat.

2016_206: pdf bestandKamer_van_Beroep_GOO_2016_206_dd_20160427.pdf (43 kB)

 

Feit:

De betrokkene communiceert respectloos over de hiërarchische oversten; de betrokkene gebruikt het oudercontact om zijn persoonlijke professionele situatie aan te kaarten, wat niet de finaliteit is van een oudercontact; de betrokkene beschuldigt het schoolbestuur van favoritisme/valsheid via de pers; de betrokkene stelt zich niet loyaal op t.o.v. de school en het bestuur; de betrokkene communiceert geregeld rechtstreeks met leden van het schoolbestuur, zonder de directeur als tussenpersoon; de betrokkene verspreidt persoonsgegevens van ouders van leerlingen, directie en collega’s aan een perscontact; de betrokkene verspreidt zijn memoires (waarin collega’s en directies bij naam worden genoemd) naar verschillende instanties; de betrokkene behartigt het belang van het onderwijs niet door er zich negatief over uit te laten; de betrokkene handelt niet volgens de instructies/opdrachten die hij ontvangt van de directie/schoolbestuur; de betrokkene gedraagt zich niet correct in dienstbetrekkingen en is zich daar bewust van; de betrokkene brengt opzettelijk schade toe aan de schoolinfrastructuur en is zich bewust dat deze handeling gevolgen kon hebben; de betrokkene doet afbreuk aan de waardigheid van zijn functie in het onderwijs; de betrokkene gebruikt dreigtaal t.o.v. de directie, de coördinerend directeur en het schoolbestuur.

Tuchtmaatregel:

Ontslag bij tuchtmaatregel.

Beslissing in beroep:

27 april 2016 – Ontslag bij tuchtmaatregel wordt vernietigd en schorsing van 1 jaar bij tuchtmaatregel wordt opgelegd.

Grond van de zaak:

De tenlasteleggingen waarvoor de leerkracht zich moet verantwoorden hebben in de eerste plaats betrekking op een aantal feitelijkheden die door de betrokkene niet worden ontkend.

Dit is het geval voor de uitlatingen van de leerkracht over het schoolbestuur en de directie en het schoolbestuur beschuldigt in bewoordingen die verwijzen naar strafrechtelijke inbreuken. De leerkracht ontkent ook niet dat hij persoonsgegevens van ouders van leerlingen, de directie en collega’s aan derden heeft medegedeeld en dat hij zijn “memoires” met persoonsgebonden gegevens en beschuldigingen t.o.v. het bestuur aan verschillende instanties en personen heeft gestuurd.

De voormelde feiten die door de leerkracht niet worden tegengesproken, wijzen ontegensprekelijk op een deloyale houding tegenover het bestuur en de personen die het onderwijs hebben georganiseerd en vormen een inbreuk op het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding.

Een tweede groep tenlasteleggingen heeft betrekking op de handelwijze en de uitlatingen van de leerkracht waaruit zijn deloyale houding verder wordt bevestigd.

Zo kaart de leerkracht tijdens het oudercontact op een eenzijdige wijze zijn persoonlijke professionele situatie aan bij de ouders maar ontwijkt hij de confrontatie met het schoolbestuur om hierover verduidelijking te krijgen. Een dergelijke handelwijze is ontoelaatbaar en schaadt de belangen van de school en het bestuur.

Uit de tientallen voorbeelden in het verslag van het tuchtonderzoek en de citaten uit teksten en e-mailberichten blijkt overduidelijk dat de leerkracht door zijn handelwijze de belangen van het onderwijs heeft geschaad. Hij laat zich hierbij over het schoolbestuur en de personen die instaan voor de schoolorganisatie uit in bewoordingen die stuk voor stuk de veruitwendiging zijn van zijn ongenoegen en van een manifeste deloyale houding t.o.v. het schoolbestuur en de verantwoordelijke onderwijsverstrekkers.

De Kamer van Beroep kan er ten slotte niet aan voorbij gaan dat de leerkracht door zijn uitlatingen en de verspreiding van zijn geschriften o.m. aan de pers, de privacy van een aantal personen heeft geschonden.

De Kamer van Beroep kan er echter niet omheen dat niet alle tenlasteleggingen van eenzelfde orde zijn en bijna allemaal terug te brengen zijn tot een deloyaal gedrag en een deloyale houding van de leerkracht tegenover het bestuur en de verantwoordelijken voor de onderwijsorganisatie als reactie op zijn eigen situatie die hij als onredelijk ervaart.
Volledigheidshalve merkt de Kamer ook op dat sommige tenlasteleggingen eerder thuishoren in een evaluatieproces en ter sprake moeten komen bij de evaluatie van het betrokken personeelslid met eventueel een aantal daarmee gepaard gaande remediëringsmaatregelen.

2016_205: pdf bestandKamer_van_Beroep_GOO_2016_205_dd_20160413.pdf (42 kB)

 

Feit:

Weigering tot het verlenen van medewerking door te weigeren om in gesprek te gaan met de directeur van de school; weigeren om in gesprek te gaan met de directeur en een verbale aantijging aan het adres van de directie door te zeggen dat zij moet oppassen en dat zij niet alles doorgeeft aan de gemeente; weigering tot het verlenen van medewerking door twee maal te weigeren mee te gaan met een personeel van de inrichtende macht om in het bureel van de directie te spreken over zijn opdracht; verbale aantijging gericht tegen een personeel van de inrichtende macht door te zeggen dat ‘wij twee in één bureel geen goed idee is omdat de veiligheid van de kinderen primeert’; verbale aantijging gericht tegen de directeur door te beweren dat de directie liegt tegen de leerkrachten; zich op een onaanvaardbare manier gedragen tegenover zijn hiërarchische meerdere door ongepast taalgebruik te hanteren en te stellen dat hij ‘niet voor de paus zijn kloten gaat werken’; verbale aantijging tegen de directeur door te beweren dat de directie mensen manipuleert en gebruikt en dat zij onbekwaam is; de onderbreking van de uitoefening van het ambt zonder voorafgaande toestemming door te zeggen dat hij ‘in dergelijke omstandigheden niet kan werken en naar huis gaat’.

Tuchtmaatregel:

Schorsing van 4 weken bij tuchtmaatregel.

Beslissing in beroep:

13 april 2016 – Schorsing van 4 weken bij tuchtmaatregel wordt bevestigd.

Grond van de zaak:

De Kamer van Beroep doet ambtshalve opmerken dat de tenlasteleggingen in de eerste oproepingsbrief waaromtrent de leerkracht zich in september 2015 moest verantwoorden in algemene bewoordingen zijn omschreven en met de gegevens in de brief de tekortkomingen niet in tijd en ruimte kunnen worden gelokaliseerd. De Kamer van Beroep herinnert eraan dat het ontbreken van een nauwkeurige omschrijving een inbreuk vormt op het voorschrift van artikel 8, § 5 van het Besluit van 22 mei 1991 van de Vlaamse Regering omtrent de preventieve schorsing en de tucht, alsmede omtrent het ontslag van sommige tijdelijke personeelsleden in het gesubsidieerd onderwijs en in de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding en de miskenning van dit voorschrift de nietigheid van de oproeping - en enkel van de oproeping - tot gevolg heeft.

In deze gedachtegang blijft de mededeling met de brief dat het College van Burgermeester en Schepenen beslist heeft een tuchtprocedure op te starten, rechtsgeldig: de tuchtprocedure is ingesteld binnen de periode van zes maanden nadat het College van Burgemeester en Schepenen de leerkracht in gebreke heeft gesteld om zonder toelating de school te verlaten en de mededeling aan de leerkracht van het instellen van de tuchtprocedure is met een ter post aangetekende brief gebeurd.

Met een tweede brief die ter post aangetekend is verstuurd wordt de leerkracht een tweede maal en ten overvloede ervan verwittigd dat het College van Burgemeester en Schepenen beslist heeft een tuchtonderzoek tegen hem in te stellen. In dezelfde brief wordt de leerkracht uitgenodigd voor een nieuwe hoorzitting in november 2016. Deze oproeping vermeldt gedetailleerd de tekortkomingen waarvoor de leerkracht zich moet verantwoorden en voldoet aan de voorschriften van artikel 8, § 5 van het Besluit van 22 mei 1991 van de Vlaamse Regering.

In zijn beroepschrift ontkent de leerkracht alle tenlasteleggingen behalve dat hij de school zonder toelating verlaten heeft omdat hij, naar eigen zeggen, zich op dat moment ziek voelde.

Deze bewering strookt niet met het gezegde van de leerkracht bij het verlaten van de school, m.n. dat “hij in dergelijke omstandigheden niet kan werken en naar huis gaat”. Deze verklaring is opgenomen in het verslag van de directie en wordt bevestigd door een getuige.
De uitleg over deze tenlastelegging kan dus niet worden aangenomen.

De Kamer van Beroep stelt vast dat de leerkracht in zijn beroepschrift niet ingaat op de andere tenlasteleggingen behalve de ontkenning van de feitelijkheden en evenmin een verklaring geeft voor zijn handelwijze die onder geen enkele voorwaarde van een leerkracht kan getolereerd worden, aangezien deze een inbreuk vormt op de plichtenleer opgenomen in artikel 9, 11 en 13 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding.

De Kamer van Beroep is van oordeel dat de leerkracht opnieuw de elementaire regels van het fatsoen heeft geschonden en tekort is gekomen aan de loyauteit en het respect tegenover zijn hiërarchische meerderen en het schoolbestuur.

2016_204: pdf bestandKamer_van_Beroep_GOO_2016_204_dd_20160413.pdf (32 kB)

 

Feit:

Naar aanleiding van een conflict met een leerling in de gang van de school heeft de leerkracht de “oortjes” (om naar muziek te luisteren) uitgetrokken en die leerling vervolgens hardhandig vastgegrepen bij de nek of de kraag. Hierbij werd de leerling mogelijks verwond en werden de “oortjes” beschadigd.

Tuchtmaatregel:

Schorsing van 1 maand bij tuchtmaatregel.

Beslissing in beroep:

13 april 2016 – Schorsing van 1 maand bij tuchtmaatregel wordt vernietigd en de tuchtstraf blaam wordt opgelegd.

Grond van de zaak:

Uit de voorgelegde stukken en uit de verklaringen van de leerkracht tijdens de hoorzitting staat vast dat de leerkracht bij een leerling de oortjes (om muziek te beluisteren) heeft uitgetrokken nadat de leerling geen gevolg had gegeven aan meerdere aanmaningen om de oortjes zelf uit te trekken. Door het uittrekken van de oortjes door de leerkracht werden de oortjes beschadigd maar uit geen van de voorgelegde stukken blijkt dat door het uittrekken van de oortjes of door handelingen onmiddellijk daarna de leerling werd verwond.

De Kamer van Beroep beseft dat de handelwijze van de leerkracht een inbreuk vormt op het pedagogisch project en niet kan worden getolereerd van een leerkracht.

De Kamer van Beroep is er niet van overtuigd dat de handelwijze van de leerkracht het gevolg zou zijn van een algemene attitude in de omgang met de leerlingen.

Het betreft in voorliggend geval voor de Kamer van Beroep een geïsoleerd incident waarvoor de leerkracht een groot schuldinzicht vertoont en zich bij de betrokken leerling heeft verontschuldigd en heeft aangeboden de schade aan de oortjes te vergoeden, wat ook effectief is gebeurd.

Zonder de handelwijze van de leerkracht op enige wijze te vergoelijken, is de Kamer van Beroep van oordeel dat de tuchtstraf van één maand schorsing te zwaar uitvalt en niet evenredig is met de precieze omstandigheden van het voorval, des te meer omdat de Kamer in het dossier geen elementen kan terugvinden die de bewering als zou de betrokken leerling ‘verwond’ zijn door het voorval, kunnen staven.

2016_203: pdf bestandKamer_van_Beroep_GOO_2016_203_dd_20160316.pdf (56 kB)

 

Feit:

De directeur heeft, in strijd met de richtlijnen van de stad, geen tijdige aangifte gedaan van de mogelijke radicalisering van bepaalde leerlingen. Hij heeft pas in april 2015 melding gemaakt van het feit dat er zich mogelijk een probleem voordeed met de leerling terwijl hij reeds in januari 2015 kennis had gekregen dat de leerling geradicaliseerd zou kunnen zijn;

De directeur heeft, in strijd met de richtlijnen van de stad, na de aanslagen van 13 november 2015 zelf verklaringen aan de pers afgelegd die bovendien niet steeds met de werkelijkheid zouden overeenstemmen. De directeur zou daardoor het ambtsgeheim hebben geschonden;

De directeur heeft na de aanslagen van 13 november 2015 geen afdoende begeleidende maatregelen genomen ter ondersteuning van de leerlingen en de leerkrachten. Er zouden ook aanwijzingen zijn dat de veiligheidsvoorschriften niet naar behoren werden nageleefd en opgevolgd.

Tuchtmaatregel:

Preventieve schorsing.

Beslissing in beroep:

16 maart 2016 – Preventieve schorsing wordt bevestigd.

Grond van de zaak:

Uit de voorgelegde stukken blijkt dat aan de directeur diverse tekortkomingen ten laste worden gelegd die het voorwerp zijn van een tuchtonderzoek. Zonder zich uit te spreken over de vraag of de voormelde tenlasteleggingen geheel of gedeeltelijk, al dan niet als tuchtrechtelijke tekortkomingen kunnen en zullen worden weerhouden, kan de Kamer van Beroep er niet omheen dat aan de directeur een aantal feiten en misdragingen ten laste worden gelegd die aanleiding kunnen geven tot een tuchtsanctie en in de eerste plaats door de tuchtoverheid moeten onderzocht worden.

De Kamer van Beroep heeft in een tweede overweging ook oog voor de voortgang van het tuchtonderzoek en gaat ervan uit dat het tuchtonderzoek spoedig zal worden aangevat en de tuchtzaak snel haar beslag zal krijgen zodat de preventieve schorsing niet langer hoeft te duren dan nodig.

De Kamer van Beroep heeft in een derde overweging begrip voor de persoon van de directeur, die, naar hijzelf getuigt, de preventieve schorsing als een werkelijke en onrechtvaardige straf ervaart. Anderzijds meent de Kamer van Beroep, dat gelet op de opeenvolgende tuchtrechterlijke onderzoeken, ten aanzien van de directeur, er klaarblijkelijk sprake is van een ernstige vertrouwensbreuk tussen directie en inrichtende macht hetgeen de goede werking van de school in het gedrang kan brengen en - in voorkomend geval -, gezien de uitzonderlijk moeilijke omstandigheden waarin de school zich bevindt, een krachtdadig en eensgezind optreden o.m. in functie van maatregelen t.a.v. radicaliserende jongeren, kan bemoeilijken.

2016_202: pdf bestandKamer_van_Beroep_GOO_2016_202_dd_20160203.pdf (33 kB)

 

Feit:

De sfeer in de school verzieken en de goede naam van de school aantasten; afbreuk doen aan de waardigheid van de (waarnemende) directie en de inrichtende macht van de school; de goede werking van de school in het gedrang brengen; de goede orde van de school verstoren; diverse laakbare feiten.

Tuchtmaatregel:

Preventieve schorsing.

Beslissing in beroep:

3 februari 2016 – Preventieve schorsing wordt bevestigd.

Grond van de zaak:

Uit de voorgelegde stukken blijkt dat aan de leerkracht diverse tekortkomingen ten laste worden gelegd die het voorwerp zijn van een tuchtonderzoek. Zonder zich uit te spreken over de vraag of de voormelde tenlasteleggingen geheel of gedeeltelijk, al dan niet als tuchtrechtelijke tekortkomingen kunnen worden weerhouden, kan de Kamer van Beroep er niet omheen dat aan de leerkracht een aantal feiten en misdragingen ten laste worden gelegd die tot het tuchtonderzoek behoren en in de eerste plaats door de tuchtoverheid moeten onderzocht worden bij de behandeling van de tuchtzaak en daarna eventueel door de beroepsinstanties.

De Kamer van Beroep is in een eerste overweging van oordeel dat in het belang van het onderzoek en om het onderzoek in alle sereniteit te laten verlopen, het niet onredelijk is dat de leerkracht tijdens de duur van het onderzoek niet op de school aanwezig is, maar de Kamer van Beroep heeft in een tweede overweging ook oog voor de voortgang van het tuchtonderzoek en gaat ervan uit dat het tuchtonderzoek spoedig zal worden aangevat en de tuchtzaak snel haar beslag zal krijgen zodanig dat ook een einde komt aan de preventieve schorsing.

2016_201: pdf bestandKamer_van_Beroep_GOO_2016_201_dd_20160113.pdf (43 kB)

 

Feit:

Het niet strikt opvolgen van de veiligheidsmaatregelen in het kader van het terreurniveau 4.

Tuchtmaatregel:

Preventieve schorsing en afhouding van de wedde.

Beslissing in beroep:

13 januari 2016 – Preventieve schorsing en afhouding van de wedde wordt vernietigd.

Grond van de zaak:

Het feit dat de directeur niet werd gehoord vooraleer hij bij beslissing van de preventieve schorsing met hoogdringendheid uit de school werd verwijderd, kan het besluit van de bevestiging van de preventieve schorsing, waarvoor de directeur wel is gehoord, niet vitiëren.

De Kamer van Beroep is van oordeel dat de inrichtende macht op generlei wijze aantoont of argumenteert waarom de aanwezigheid van directeur de goede werking van de school zou schaden en er wordt niet aangetoond waarom de verdere aanwezigheid van de directie de sereniteit van het onderzoek in het kader van het aanhangige tuchtonderzoek zou kunnen hypothekeren.