Beslissingen Kamer van Beroep 2017 - ( Gemeenschapsonderwijs )

2017_14: doc bestandKamer_van_beroep_GO_2017_14_dd_20170705.doc (75 kB)

Feit:

1. als verantwoordelijke voor de inning van gelden in de periode tussen januari 2005 en juni 2016 voor minstens 55.000 euro aan gelden te hebben geïnd terwijl hiervan slechts 11.648,5 euro aan de rekenplichtige werd afgegeven, waarbij in de periode tussen februari 2012 en februari 2016 helemaal geen gelden aan de rekenplichtige werden bezorgd, waardoor men voor een bedrag van minstens 43.350 euro de volle verantwoordelijkheid draagt en persoonlijk aansprakelijk is;
2. voor de niet aan de rekenplichtige overhandigde ontvangsten (minstens 43.350 euro) geen enkele aanvaardbare verklaring hebben, wat inhoudt dat deze schoolgelden voor persoonlijk gebruik werden besteed.

Bestreden maatregel:

De tuchtmaatregel van het ontslag.

Beslissing in beroep:

5 juli 2017 - De tuchtmaatregel van het ontslag wordt bevestigd.

Grond van de zaak:

De Kamer van Beroep onderschrijft volledig de overwegingen die de raad van bestuur, voor wat betreft het bewijs van de feiten en hun tuchtrechtelijke aanrekenbaarheid, in de beroepen beslissing uiteengezet heeft, waarbij gesteld wordt dat de onderzoekers van de Onderzoekscel op terdege onderbouwde gronden tot het besluit komen dat de verzoekster ‘jarenlang systematisch heeft nagelaten om aan (verschillende) klanten een kwitantie te geven’ voor geleverde prestaties en dat de ontvangen gelden aldus niet bij de rekenplichtige terecht kwamen, dat de ‘mini-onderneming’ waar de verzoekster naar verwijst een nepconstructie is die geen reden kon of mocht zijn om inkomsten buiten de schooladministratie te houden, terwijl hoe dan ook de inkomsten en uitgaven van die mini-onderneming geen aanleiding hebben gegeven tot een vermindering van de kosten gemaakt door de school en dat een reconstructie van de ontvangen bedragen, vanuit verschillende parameters bekeken, uitkomt op -voorzichtig geschat- een bedrag van 55.000 euro waarvan slechts 11.648 euro werd afgedragen aan het schoolbestuur, zodat de verzoekster het restant ten eigen bate afgewend heeft.
De raad van bestuur heeft terecht vastgesteld dat de tenlasteleggingen zeer ernstig zijn: de verzoekster heeft gelden afgewend voor eigen gewin, hetgeen niet anders kan gekwalificeerd worden dan als fraude; het gaat ook niet om geringe bedragen en de feiten belopen een lange periode. Dergelijk handelen tast de vertrouwensband tussen de verzoekster en de inrichtende macht onherstelbaar aan.
Gewis gaan de verantwoordelijken binnen het bestuur van de school niet vrijuit en kan hun laksheid verweten worden bij het toezicht op de instroom van aan de school toekomende gelden, maar hoe dan ook kon dit voor de verzoekster geen vrijbrief zijn om haar verplichtingen, die overigens duidelijk waren vastgelegd in de verantwoordelijkheidsmatrix, correct na te komen.
De tuchtstraf van het ontslag is verantwoord.

 

2017_13: doc bestandKamer_van_beroep_GO_2017_13_dd_20170622.doc (91 kB)

Feit:

1. Het door allerlei manoeuvres onmogelijk maken van een evaluatiegesprek;
2. zich op een ongepaste wijze tot een aantal inspecteurs te hebben gericht waarbij een tendentieus, uitermate negatief beeld over de school, zijn verantwoordelijken en de collega’s werd opgehangen.

Bestreden maatregel:

De tuchtmaatregel van de schorsing gedurende 2 maanden.

Beslissing in beroep:

22 juni 2017 - De tuchtmaatregel van de schorsing gedurende 2 maanden wordt bevestigd.

Grond van de zaak:

Feit 1. De terughoudende opstelling waarvan de verzoekster blijk gegeven heeft in de periode tussen 1 en 15 september 2016 kan niet worden gekwalificeerd als manoeuvres om een evaluatiegesprek onmogelijk te maken. Het tuchtfeit is niet bewezen.
Feit 2. De Kamer van Beroep volgt de raad van bestuur in zijn oordeel dat de verzoekster op tendentieuze en zelfs belasterende wijze de verantwoordelijken van de school en collega’s in een uiterst negatief daglicht stelt ten overstaan van de inspectiedienst op het ogenblik dat die een bezoek aan de school gepland heeft. Met haar initiatief toont verzoekster aan dat zij - in wezen mee vanuit haar initiële wrevel dat zij geen gehoor krijgt over haar vraag om de Pedagogische begeleidingsdienst bij de vakwerking geschiedenis te betrekken - dermate de draad kwijt is dat zij niet meer in staat is de bevoegdheden van de verschillende ter zake bevoegde organen onderscheiden te houden en meent iedereen bij alles te mogen betrekken. De tweede tenlastelegging is bewezen en maakt een tuchtinbreuk uit.

De Kamer van Beroep vindt de schorsing voor de duur van twee maanden de gepaste straf voor de begane inbreuk. De chronologie van de gebeurtenissen geven er blijk van dat de verzoekster, die reeds geruime tijd van oordeel was dat zij geen gehoor vond voor haar kritiek op de werking van de vakgroep geschiedenis en nadat het schoolbestuur haar met een eerste tuchtvordering geconfronteerd had, geen vrede heeft kunnen nemen met de situatie en zichzelf te buiten gegaan is. De tuchtmaatregel van de schorsing, volgend op de tuchtstraf van de afhouding van wedde, kan haar tot rede brengen en haar mogelijks doen inzien dat zij met de kwaliteiten die zij in het verleden heeft ten toon gespreid, haar opvoedende taak ten volle kan waarmaken, maar dat daarnaast ook van haar verwacht wordt dat zij zich loyaal opstelt tegenover de collega’s en het schoolbestuur en dat zij de beslissingen die de bevoegde overheden in het algemeen belang nemen, aanvaardt.

 

2017_12: doc bestandKamer_van_beroep_GO_2017_12_dd_20170622.doc (71 kB)

Feit:

Ongewettigde afwezigheid.

Bestreden maatregel:

Ontslag om dringende redenen.

Beslissing in beroep:

22 juni 2017 - Het ontslag om dringende redenen wordt bevestigd.

Grond van de zaak:

De verzoekster is tuchtrechtelijk ontslagen. Overeenkomstig art. 88bis van het rechtspositiedecreet mag zij evenwel pas definitief uit haar ambt verwijderd worden na afloop van een opzegtermijn en wordt zij gedurende die opzegtermijn beschouwd als tijdelijk aangestelde. De verzoekster betwist niet dat art. 24 rechtspositiedecreet op haar van toepassing is, waardoor het bestuur haar om dringende redenen kon ontslaan wanneer een ernstige tekortkoming wordt vastgesteld die het voortduren van de tijdelijke aanstelling onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt.
Het lijdt geen twijfel dat een ongewettigde afwezigheid uit de dienst een ernstige tekortkoming is die het bestuur toelaat onmiddellijk een einde te maken aan de bestaande relatie.
De onwettigheid van de afwezigheid van de verzoekster is op 24 mei 2017 vastgesteld door het college van directeurs, het orgaan dat overeenkomstig artikel 27, §4, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs, bevoegd is voor “het beheer en de loopbaan van de personeelsleden”.
De schooldirecteur, het bevoegd orgaan ter zake, heeft beslist toepassing te maken van artikel 24 van het rechtspositiedecreet zodra de ongewettigdheid van de afwezigheid van de verzoekster voor haar een feit was. Zij heeft de bepalingen van artikel 24 nageleefd.

 

2017_11: doc bestandKamer_van_beroep_GO_2017_11_dd_20170622.doc (105 kB)

Feit:

1. Aan hiërarchisch ondergeschikte personeelsleden de opdracht te hebben gegeven een aantal leerlingen die niet op school aanwezig waren als aanwezig te registreren, waardoor deze leerlingen ten onrechte als regelmatige leerlingen werden beschouwd, ze voor de school lestijden genereerden voor anderstalige nieuwkomers, de school ook een toelage hiervoor ontving, deze leerlingen ook meetelden voor de berekening van het lestijdenpakket en de dotatieregeling van het daaropvolgende schooljaar;
2. de opdracht te hebben gegeven aan een hiërarchisch ondergeschikt persoon of minstens de inspirator te zijn geweest van deze constructie, om een bestelling te plaatsen bij Standaard Boekhandel voor een bedrag van 23.000 euro, waarbij op de getekende bestelbon slechts een bestelling van 12.000 euro vermeld werd, waarbij deze bestelbon geen duidelijke beschrijving van de bestelling bevat, niet, zoals voorgeschreven, gehandtekend werd door de algemeen directeur, geen prijsvergelijking, wat bij bestellingen van dergelijke omvang een verplichting is in het kader van de regelgeving op de overheidsopdrachten, werd gedaan, de budgetcontrole omzeild werd, het factuurbedrag (23.091,26 euro) het beschikbare budget overtrof en een begrotingswijziging moest worden doorgevoerd;
3. er niet te hebben op toegezien dat de afwezigheidsregistratie van de leerlingen tijdens het schooljaar 2015–2016 op een correcte wijze verliep, wat er niet alleen in resulteerde dat voor 58 leerlingen weliswaar de afwezigheden werden geregistreerd maar niet omgezet in de voorziene codes, maar de school ook geen zicht had op de zogenaamde B-codes (problematische afwezigheden) die als de 10 B-codes worden bereikt, de school verplichten tot het nemen van acties (aanspreken van de ouders, inschakelen CLB) waarbij bij niet-optreden de school in principe voor de betrokken leerling de financiering verliest en de leerling niet meetelt voor de berekening van het lestijdenpakket, wat voor 4 leerlingen het geval zou kunnen zijn.

Bestreden maatregel:

De tuchtmaatregel van de terugzetting in rang.

Beslissing in beroep:

22 juni 2017 - De tuchtmaatregel van de terugzetting in rang wordt bevestigd.

Grond van de zaak:

Feit 1. De verwerende partij stelt terecht dat krachtens artikel 14,§1, 1° van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het Gemeenschapsonderwijs de schooldirecteur bevoegd is voor “de algemene en pedagogische organisatie van de school”. De verzoekster is derhalve bevoegd voor de organisatie van de registratie van de kinderen.
De verzoekster ontkent niet dat de klasleerkrachten in vier gevallen op haar aansturen bij het invullen van de klaslijsten een leerling, waarvan de school geen bericht van schoolverandering had ontvangen, als aanwezig hebben beschouwd, hetgeen de school bepaalde voordelen opleverde inzake lestijden en financiële middelen. Van de stelling dat zij slechts een pion was in een van boven haar gedirigeerde operatie levert de verzoekster niet het minste bewijs. Het tuchtfeit is terecht aan de verzoekster ten laste gelegd.
Feit 2. De bestelbon is algemeen gesteld -geen hoeveelheden, geen duidelijke omschrijving en geen prijs- en de verzoekster heeft, door zonder meer te ondertekenen, de op haar rustende goedkeuringsverplichting -ook wat betreft de aanrekening op het budget- miskend. De Kamer acht het niet relevant uit te maken of de verzoekster de opdracht heeft gegeven om een ontoereikende bestelbon op te maken dan wel of zij de inspirator is van het systeem of dat in gemeen overleg hebben gehandeld. De vaststelling volstaat dat zij als hiërarchische meerdere goedkeuring moest geven aan en de verantwoordelijkheid opnemen voor de bestelling en dat zij daarbij tekort geschoten is. De tweede tuchtinbreuk is terecht tegen de verzoekster aangehouden.
Feit 3. De verwerende partij verwijt aan de verzoekster geen sluitend controlesysteem te hebben uitgewerkt, maar blijft in gebreke aan te tonen welke instructies zij zelf ter zake aan de verzoekster gegeven heeft om haar toe te laten een sluitende controle op te zetten.
In die omstandigheden is de Kamer van oordeel dat de feiten niet als een tuchtfeit aan de verzoekster ten laste gelegd kunnen worden.

De Kamer van Beroep is met de raad van bestuur van oordeel dat en waarom het eerste tuchtfeit zeer ernstig is: het komt neer op fraude. Dat die fraude tot geen persoonlijke verrijking heeft geleid, doet niets af aan de ernst van de inbreuk. In tegenstelling tot de raad van bestuur acht de Kamer daarnaast het tweede tuchtfeit op zich toch ook van groot belang: het verwaarlozen van haar goedkeuringsbevoegdheid op het vlak van te plaatsen bestellingen is eveneens een ernstige inbreuk op de ambtsplichten van de verzoekster.
De tuchtstraf van de terugzetting in rang, waarbij de verzoekster alle verantwoordelijkheden als leidinggevende verliest, is de gepaste straf voor de twee weerhouden inbreuken.
Aangenomen wordt dat de terugzetting van het personeelslid tot de status die het bekleedde voor zijn toelating tot het ambt waarin het tuchtrechtelijk bestraft wordt, onmogelijk is wanneer het personeelslid daarmee ook zijn status van vast benoemd personeelslid van het GO! verliest. Dat zou immers een bijkomende straf zijn die niet in de decretale regeling is voorzien. Maar evenzeer dient in het algemeen aangenomen dat de terugzetting slechts mogelijk is naar een ambt waarvoor het personeelslid de bekwaamheidsbewijzen bezit die nodig zijn om daarin vast benoemd te worden. Blijkens het personeelskader van de school is het ambt dat in de hiërarchie het dichtst bij dat van schooldirecteur ligt dat van onderwijzer. De verzoekster voldoet aan de voorwaarden om in dat ambt benoemd te worden. Zij wordt derhalve in dat ambt teruggezet.

 

2017_10: doc bestandKamer_van_beroep_GO_2017_10_dd_20170608.doc (71 kB)

Feit:

Het zich zonder deugdelijke reden onttrekken aan de opdracht een schoolreis te begeleiden.

Bestreden maatregel:

Ontslag om dringende redenen.

Beslissing in beroep:

8 juni 2017 - Het ontslag om dringende redenen wordt bevestigd.

Grond van de zaak:

Het staat buiten kijf dat het zich zonder reden onttrekken aan een opdracht een inbreuk op de ambtsplichten betreft. Het niet nakomen van een ambtsverplichting die de organisatie van het schoolgebeuren -hier wegens de noodzaak om de personeelsbezetting tijdens de schoolreis te veranderen- onderuit haalt vormt een ernstige tekortkoming. In dit geval komt daar bij dat de directeur nog op 21 maart de verzoekster gecontacteerd heeft en haar daarin heeft pogen te motiveren om haar aangegane verplichting na te komen, waaruit volgt dat hij de weigerende houding van de verzoekster met recht en reden als een vorm van insubordinatie -negeren van zijn bevel- kon bestempelen.
De Kamer van Beroep is van oordeel dat de verzoekster zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstige tekortkoming die het voortduren van de tijdelijke aanstelling onmiddellijk en definitief onmogelijk gemaakt heeft.

 

2017_09: doc bestandKamer_van_beroep_GO_2017_09_dd_20170427.doc (86 kB)

Feit:

Problematische manier van communiceren, mogelijke belangenvermenging en financiële malversaties.

Bestreden maatregel:

Preventieve schorsing.

Beslissing in beroep:

27 april 2017 - De preventieve schorsing wordt bevestigd.

Grond van de zaak:

De Kamer van Beroep is van oordeel dat, zo het in het algemeen niet ondenkbaar is dat een schooldirecteur preventief geschorst wordt wanneer er in zijn school een onderzoek gebeurt over feiten waarvoor de directeur verantwoordelijk gesteld kan worden, er in dit geval geen gegevens voorliggen die aannemelijk maken dat de verwijdering uit de school daarvoor noodzakelijk is.
Daar tegenover staat dat, de Kamer een preventieve schorsing die uitgesproken wordt in het kader van een tuchtonderzoek slechts met een unanieme beslissing kan vernietigen (art. 59ter, §3, 1ste lid rechtspositiedecreet). De uitslag van de stemming over de vernietiging toont geen unanimiteit aan, waardoor de Kamer de beslissing van de raad van bestuur onverlet moet laten.

 

2017_08: doc bestandKamer_van_beroep_GO_2017_08_dd_20170420.doc (74 kB)

Feit:

-

Bestreden maatregel:

De tuchtmaatregel van het ontslag.

Beslissing in beroep:

20 april 2017 - Beroep is onontvankelijk.

Grond van de zaak:

Artikel 73, lid 2, van het decreet rechtspositie bepaalt dat de termijn voor het indienen van beroep tegen een tuchtstraf twintig kalenderdagen bedraagt. Volgens artikel 33septies, §1, tweede lid, van het besluit van 22 mei 1991 begint de beroepstermijn te lopen “op de dag volgend op de schriftelijke mededeling van de sanctie door de tuchtoverheid”.
Noch in het rechtspositiedecreet, noch in de uitvoeringsbesluiten ervan is een bepaling opgenomen waaruit blijkt dat, wanneer de laatste dag van de beroepstermijn een zondag is, de beroepstermijn wordt verlengd tot de volgende dag. Het verlengen van de termijn tot de eerstvolgende werkdag is ook geen algemeen rechtsbeginsel dat buiten enige tekst om gelding heeft. En artikel 53, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, waarin bepaald is dat een vervaltermijn die eindigt op een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, verplaatst wordt naar de eerstvolgende werkdag- geldt enkel voor gerechtelijke procedures en niet voor administratieve beroepen. Dat alles in acht genomen is het beroep laattijdig ingediend op 20 februari 2017 en dus niet ontvankelijk.

Artikel 35 van het decreet openbaarheid van bestuur verplicht de verwerende partij ertoe bij de kennisgeving van een beslissing de betrokkene mede te delen over welke beroepsmogelijkheden hij beschikt en welke modaliteiten daarbij in acht genomen moeten worden, op gevaar af vastgesteld te zien dat de beroepstermijn geen aanvang neemt.
De termijn waarbinnen het administratief beroep moet worden ingediend is onmiskenbaar een modaliteit (een voorwaarde) van het beroep. De Kamer van Beroep is van oordeel dat de verwerende partij effectief aan die voorwaarde voldaan heeft door te refereren aan de reglementair vastgestelde bepaling daaromtrent: “binnen een termijn van 20 kalenderdagen” vanaf de ontvangst van het document. Het komt de betrokkene toe de inhoud van die bepaling te onderzoeken en in functie daarvan de dag te bepalen waarop hij zijn beroep zal indienen.
De fout in het medegedeelde adres is in wezen een materiële misslag die geen verwarring kon opwekken, heeft de verzoekster niet misleid en heeft geen enkel probleem opgewekt. De misslag is niet te beschouwen als de mededeling van een verkeerde modaliteit van het beroep.

De verzoekster verwijst naar de schending van het gelijkheidsbeginsel doordat de strikte interpretatie van de regelgeving tot gevolg heeft dat zij niet over de volledige termijn van 20 dagen heeft kunnen beschikken en zij daardoor anders behandeld wordt dat de indieners van een beroep voor wie de termijn niet verstrijkt op een zondag. De Kamer stelt vast dat geen rechtscollege zich alsnog heeft uitgesproken over de door de verzoekster aangevoerde grondwettigheid. Zij houdt vast aan het standpunt dat de te dezen toepasselijke reglementaire bepalingen duidelijk zijn en geen uitlegging behoeven. Louter bijkomend is de Kamer overigens de mening toegedaan dat de vergelijking met het arrest nr. 1/2013 van het Grondwettelijk Hof niet zonder meer naar de onderhavige zaak getransponeerd mag worden, aangezien er in dit geval sprake is van een termijn die, ook al wordt hij met één dag ingekort, voldoende ruim is voor het noodzakelijk beraad en geen overdreven last oplegt aan de bestuurde.

 

2017_07: doc bestandKamer_van_beroep_GO_2017_07_dd_20170306.doc (82 kB)

Feit:

Leerlingen weigeren les verzoeker bij te wonen.

Bestreden maatregel:

Ontslag om dringende redenen.

Beslissing in beroep:

6 maart 2017 - Het ontslag om dringende redenen wordt vernietigd.

Grond van de zaak:

Terecht stelt de verzoeker dat de weigering van de leerlingen om zijn les bij te wonen een beslissing is van de leerlingen die, op zich, aan hem niet aangerekend kan worden. Dat de staking zou steunen op de houding van de verzoeker tegenover de leerlingen blijkt geenszins uit het voorgelegd dossier.

De verwerende partij houdt voor dat op 2 februari, en meer bepaald uit het gesprek met de leerlingenbegeleiders, gebleken is dat de verzoeker, wanneer hij van oordeel is met zijn ‘harde taal’ de leerlingen te kunnen motiveren, zich van geen kwaad bewust is waaruit zij dan afleidt dat het onmogelijk is om met zijn ingesteldheid een positief leefklimaat te creëren. Daarmee refereert de verwerende partij aan een houding van de verzoeker in de uitoefening van zijn ambt, en dat doet de vraag rijzen naar de mogelijkheid om de wijze van functioneren te betrekken bij het ontslag om dringende redenen.
Uit het dossier blijkt dat het schoolbestuur sinds geruime tijd moeite heeft met de wijze waarop de verzoeker met leerlingen omgaat. De vage verwijten van 2 februari 2017 hebben geen andere draagwijdte. Er wordt niet ingezien waarom deze verwijten nu plots een dringend ontslag zouden rechtvaardigen.
Het functioneren van een personeelslid wordt geremedieerd middels de evaluatie en wordt gesanctioneerd middels de toekenning van de evaluatie “onvoldoende” en het daarop gesteund ontslag (artikel 73quaterdecies rechtspositiedecreet). In dit geval heeft het schoolbestuur ernstige inspanningen geleverd en begeleidende maatregelen genomen om de verzoeker te laten functioneren binnen het project van de school. De Kamer van Beroep ziet echter geen reden om het gebeuren van 2 februari, in de mate het aan de verzoeker tegengeworpen kan worden, te beschouwen als het decisief element om het evaluatieproces van de verzoeker te stoppen en hem onmiddellijk te ontslaan.

 

2017_06: doc bestandKamer_van_beroep_GO_2017_06_dd_20170221.doc (106 kB)

Feit:

1. Ondanks daartoe verschillende malen te zijn aangemaand, de procedure voor het bestellen van verbruiksgoederen niet te hebben gevolgd, waardoor het voor de TAC en de controleur van de bestellingen onmogelijk wordt na te gaan of de verbruiksgoederen die werden gekocht, wel effectief voor de lessen bestemd waren.
2. Bij herhaling verbruiksgoederen te hebben besteld die niet of niet volledig verwerkt werden in de lessen in het centrum en die dus een anderen bestemming kregen.
3. Een ijsmachine en een gaarmachine zonder daarvoor de toestemming te hebben gevraagd uit het centrum te hebben meegenomen.
4. Het inladen in zijn wagen en meenemen van allerlei goederen (potten en pannen) van het centrum op een dag waarop men geen les diende te geven.
5. Doen van onoordeelkundige uitspraken waardoor een aantal cursisten zich niet meer inschreven voor het tweede semester.

Bestreden maatregel:

De tuchtmaatregel van het ontslag.

Beslissing in beroep:

21 februari 2017 - De tuchtmaatregel van het ontslag wordt bevestigd.

Grond van de zaak:

Feit 1. De raad van bestuur heeft volkomen terecht gewezen op de zeer geringe (bijkomende) inspanning die het doormailen van de menu’s en de bestelbonnen bovenop het lesgeven vergde, zodat het medisch probleem waar de verzoeker naar verwijst geen verschoningsgrond kan vormen. Voorts kan de vraag of de negatie van de richtlijnen intentioneel gebeurde dan wel het gevolg is van een eigengereide opstelling of gewoon nalatigheid onbesproken blijven: het volstaat vast te stellen dat de verzoeker de op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen. En aangezien die verplichtingen er precies toe strekken het bestuur in staat te stellen de aankoop van goederen voor de cursussen van de leerlingen correct te laten verlopen - er eigenlijk de enige toetssteen voor vormen - is de overtreding van de verzoeker op zich een ernstige tekortkoming. Het eerste tuchtfeit is bewezen.
Feit 2. De verzoeker heeft er door zijn eigen handelen voor gezorgd heeft dat de school niet kon controleren welke goederen er voor de leerlingen bestemd waren: hij diende geen lesvoorbereidingen (menu’s) met de bijhorende bestelbonnen in bij de verantwoordelijken en verhinderde aldus zelf elke controle.
De onderzoekscel heeft samen met de verzoeker de klaargemaakte menu’s van december 2015 gereconstrueerd op basis van de facturen voor aankoop van vlees en vis uit december 2015. De ondervragers hebben kunnen vaststellen dat de verzoeker tijdens zijn verhoor “zichtbaar naar een geloofwaardige samenstelling van de menu’s zocht met geloofwaardige ‘grammages’ op basis van de aangekochte hoeveelheden”. En na een uiterst gedetailleerd onderzoek van de informatie van de verzoeker hebben zij besloten dat ‘er enkele grote vraagtekens bleven’. De raad van bestuur heeft op grond van de conclusies van het onderzoeksverslag voor het bewijs van de tenlasteleggingen 2a, 2b en 2c een redengeving uitgeschreven die de Kamer bijvalt.
De tenlastelegging 2d is een overkoepelende tenlastelegging waarin uiteengezet wordt dat het mistgordijn dat de verzoeker heeft opgetrokken het ‘bijna onmogelijk’ maakt om onregelmatigheden inzake het gebruik van voedingsmiddelen in de school vast te stellen, en dat de onderzoekscel, ondanks de mogelijkheid die de verzoeker had om zijn menu’s te reconstrueren in functie van de leveringsnota’s, toch nog tot de conclusie komt dat “diverse goederen of minstens een deel ervan een andere bestemming gekregen hebben dan het CVO”. De Kamer valt de gehele uiteenzetting van de raad van bestuur bij.
Ook voor de ten laste gelegde aankopen in de jaren 2010 tot 2014 kan de verzoeker geen koppeling maken met een lessenplan of een agenda. De raad van bestuur heeft, voortbouwend op het onderzoeksverslag, terecht besloten dat de gekochte hoeveelheden in redelijkheid niet verbruikt kunnen geweest zijn in het kader van zijn lessen.
Het tweede tuchtfeit is bewezen.
Feit 3. De derde tenlastelegging wordt door de verzoeker niet betwist. Terecht heeft de raad van bestuur verwezen naar de evidentie dat het privégebruik van schoolmateriaal niet kan zonder toestemming, al was het maar omdat de verantwoordelijken te allen tijde zicht moeten houden op de goederen die zij beheren.
Feit 4. De raad van bestuur heeft, rekening houdend met de verklaringen van personeelsleden, beslist dat het ‘volstrekt onwaarschijnlijk is dat de massa goederen die hij verkaste enkel privégoederen zouden zijn’. De Kamer treedt die redenering bij.
Feit 5. Het spreekt voor zich dat de uitlatingen van de verzoeker, die hij niet betwist, een domper konden zetten op het enthousiasme van de cursisten. Het is derhalve aannemelijk dat de dramatische terugval van het leerlingenaantal minstens voor een deel gekoppeld kan worden aan de ondoordacht negatieve, nodeloze en zelfs onjuiste uitlatingen van de verzoeker. De vijfde tenlastelegging is bewezen.

De ernst van eerste twee tenlasteleggingen overschaduwt de drie andere. Beide inbreuken verantwoorden op zich een zware tuchtstraf: het bestuur kan niet dulden dat een leraar het controlesysteem op de uitgaven verhindert; bewust goederen, bestemd voor de cursisten, afwenden van hun normale bestemming staat gelijk met diefstal. Die feiten bezoedelen definitief de vertrouwensrelatie tussen bestuur en personeelslid en maken, -zo al niet elk op zich, in elk geval samen genomen- een verdere samenwerking onmogelijk. De raad van bestuur heeft het ontslag als de geëigende tuchtmaatregel naar voren geschoven. De Kamer bevestigt die tuchtstraf.

 

2017_05: doc bestandKamer_van_beroep_GO_2017_05_dd_20170221.doc (99 kB)

Feit:

Op een ongepaste wijze via Facebook communiceren met een leerlinge waarbij haar de punten van een eerder examen werden meegedeeld, de term ‘baby’ werd gebruikt en werd geprobeerd de conversatie gaande te houden en/of te hernemen met de verzwarende omstandigheid dat men terzake reeds twee keer op zijn plichten werd gewezen en afspraken werden gemaakt om gelijkaardige problemen te vermijden.

Bestreden maatregel:

De tuchtmaatregel van de afhouding van 20% wedde gedurende zes maanden.

Beslissing in beroep:

21 februari 2017 - De tuchtmaatregel van de afhouding van 20% wedde gedurende zes maanden wordt vernietigd. De tuchtmaatregel van de afhouding van 10% wedde gedurende drie maanden wordt opgelegd.

Grond van de zaak:

Met het voeren van de facebookconversatie heeft de verzoeker niet de vereiste terughoudendheid aan de dag gelegd die van een leraar mag verwacht worden. Het voeren en gaande houden van de conversatie is een tuchtinbreuk.
De Kamer van Beroep is met de raad van bestuur van oordeel dat de tuchtinbreuk, nu zij betrekking heeft op de omgang met leerlingen buiten het eigenlijk schoolgebeuren, dermate ernstig is dat een morele straf niet volstaat. Evenwel, nu afstand genomen wordt van de besprekingen die de directie met hem voerde en die de raad van bestuur nu bij de aangelegenheid betrok als een ‘verzwarende omstandigheid’, is er reden om de opgelegde straf te halveren tot de afhouding van de wedde van 10% gedurende drie maanden.

 

2017_04: doc bestandKamer_van_beroep_GO_2017_04_dd_20170221.doc (98 kB)

Feit:

1. Het als schooldirecteur stellen van volstrekt ontoelaatbaar gedrag t.a.v. personeelsleden - intimidatie, pesterijen, verbale agressie;
2. het – vanuit een negatief beeld over onderwijspersoneel – installeren van niet meer of minder dan een ‘schrikbewind’, waarbij inspraak van de personeelsleden niet of nauwelijks geduld wordt en beslissingen genomen worden (bv. de opmaak van uurroosters, afbouw paramedisch personeel, afschaffen lessen NT2) die de leerlingen allerminst ten goede komen;
3. het omwille van hoger beschreven tenlasteleggingen creëren van een zeer negatieve werksfeer die een zo goed als totale vertrouwensbreuk tussen verzoekster en de TAC enerzijds en het personeelsteam anderzijds veroorzaakte.

Bestreden maatregel:

De tuchtmaatregel van de terugzetting in rang.

Beslissing in beroep:

21 februari 2017 - De tuchtmaatregel van de terugzetting in rang wordt bevestigd.

Grond van de zaak:

De tenlasteleggingen gaan niet over concrete feiten op zich, maar komen neer op het manifesteren van een ontoelaatbare houding ten overstaan van het personeel, zoals die blijkt uit bepaalde gedragingen.
De tuchtzaak moet beoordeeld worden vanuit het specifiek kader geschetst in het Arista-interventieverslag, waaruit blijkt dat in de school een ‘hyperconflict’ bestaat waarbij een onoverbrugbare kloof ontstaan is tussen twee groepen: de directrice – verzoekster – en de TAC enerzijds (gemakshalve de directie genaamd) en het gros van het personeel anderzijds.

Met betrekking tot het optreden van de directie tegenover het personeel als groep vermeldt het onderzoeksverslag een aantal minpunten waaruit een eigenzinnige houding blijkt die die over het geheel genomen een eigengereid optreden bewijst. De directie blijkt, hoewel bekend met de wrevel bij het personeel, geen initiatieven genomen te hebben om het personeel beter te informeren en te betrekken bij het beleid van de school. De Kamer is van oordeel dat de volgehouden eigenzinnigheid waarmee de verzoekster en TAC het schoolgebeuren leidden een tekortkoming aan de ambtsverplichtingen uitmaakt.
De bejegening van de personeelsleden, individueel bekeken, was ondermaats. Het geheel van het onderzoek verraadt onmiskenbaar een houding van misprijzen, gevoed door de voortdurend wantrouwige en achterdochtige wijze waarop de directie zich opstelt. Met dergelijke houding ten overstaan van individuele personeelsleden gaat de directie haar normale gezagsuitoefening en bestuursbevoegdheid te buiten. Die houding werd terecht als tuchtinbreuk gekwalificeerd.
De Kamer onderschrijft de stellingname dat de gelaakte gedragingen neerkomen op het creëren van een zeer negatieve werksfeer die een zo goed als totale vertrouwensbreuk tussen de directie en het personeel heeft bewerkstelligd.

De verzoekster is op ernstige wijze tekortgeschoten in de uitoefening van haar ambtsplichten door, samen met haar ondergeschikte, een verkeerde houding tegenover het personeel aan te nemen. De tuchtinbreuken zijn van die aard dat zij een verwijdering uit het ambt rechtvaardigen. De clementie die de raad van bestuur heeft betoond wegens haar staat van dienen, biedt haar de mogelijkheid de draad opnieuw op te nemen.

 

2017_03: doc bestandKamer_van_beroep_GO_2017_03_dd_20170221.doc (96 kB)

Feit:

1. het als leidinggevende (TAC) stellen van volstrekt ontoelaatbaar gedrag t.a.v. personeelsleden – intimidatie, pesterijen, omgaan met personeelsleden op een zeer wantrouwige en achterdochtige manier, het manipuleren en bedreigen van (tijdelijke) personeelsleden;
2. het – vanuit een zeer negatief beeld over onderwijspersoneel – installeren (door beïnvloeding en sturing van én in samenspraak met de directie) van een ‘schrikbewind’, waarbij inspraak van de personeelsleden niet of nauwelijks geduld wordt en beslissingen genomen worden (bv. de uurroosters, de vermindering van het aantal uren LO en ASV) die de leerlingen allerminst ten goede komen, zoals beschreven in het onderzoeksrapport;
3. het omwille van hoger beschreven tenlasteleggingen creëren van een zeer negatieve werksfeer die een zo goed als totale vertrouwensbreuk veroorzaakte tussen de directie enerzijds en het personeelsteam anderzijds.

Bestreden maatregel:

De tuchtmaatregel van het ontslag.

Beslissing in beroep:

21 februari 2017 - De tuchtmaatregel van het ontslag wordt bevestigd.

Grond van de zaak:

De tenlasteleggingen gaan niet over concrete feiten op zich, maar komen neer op het manifesteren van een ontoelaatbare houding ten overstaan van het personeel, zoals die blijkt uit bepaalde gedragingen.
De tuchtzaak moet beoordeeld worden vanuit het specifiek kader geschetst in het Arista-interventieverslag, waaruit blijkt dat in de school een ‘hyperconflict’ bestaat waarbij een onoverbrugbare kloof ontstaan is tussen twee groepen: de directrice en de verzoeker -TAC- enerzijds (gemakshalve de directie genaamd) en het gros van het personeel anderzijds.

Met betrekking tot het optreden van de directie tegenover het personeel als groep vermeldt het onderzoeksverslag een aantal minpunten waaruit een eigenzinnige houding blijkt die die over het geheel genomen een eigengereid optreden bewijst. De directie blijkt, hoewel bekend met de wrevel bij het personeel, geen initiatieven genomen te hebben om het personeel beter te informeren en te betrekken bij het beleid van de school. De Kamer is van oordeel dat de volgehouden eigenzinnigheid waarmee de verzoeker en directrice het schoolgebeuren leidden een tekortkoming aan de ambtsverplichtingen uitmaakt.
De bejegening van de personeelsleden, individueel bekeken, was ondermaats. Het geheel van het onderzoek verraadt onmiskenbaar een houding van misprijzen, gevoed door de voortdurend wantrouwige en achterdochtige wijze waarop de directie zich opstelt. Met dergelijke houding ten overstaan van individuele personeelsleden gaat de directie haar normale gezagsuitoefening en bestuursbevoegdheid te buiten. Die houding werd terecht als tuchtinbreuk gekwalificeerd.
De Kamer onderschrijft de stellingname dat de gelaakte gedragingen neerkomen op het creëren van een zeer negatieve werksfeer die een zo goed als totale vertrouwensbreuk tussen de directie en het personeel heeft bewerkstelligd.

De verzoeker is tekortgeschoten in de uitoefening van de opdrachten die tot zijn eigenlijk takenpakket behoren. Daarnaast heeft hij ervoor gezorgd dat het onderscheid tussen zijn eigen positie en die van de directrice vervaagde, is hij zich als directeur gaan gedragen en heeft hij mee een autoritair regime opgezet dat de vertrouwensrelatie tussen directie en personeel geheel verstoord heeft en de goede werking van de school geblokkeerd heeft. De verzoeker kent zijn plaats in het systeem niet; een zware straf dringt zich op. De verwijdering uit het ambt waarin hij is aangesteld, is de gepaste maatregel. Aangezien de verzoeker op proef is aangesteld, kan dit enkel betekenen dat hij ontslagen wordt.

 

2017_02: doc bestandKamer_van_beroep_GO_2017_02_dd_20170117.doc (134 kB)

Feit:

1. Lekken van gegevens die tot het gerechtelijk dossier van een personeelslid van de basisschool behoren naar diverse personeelsleden van de middenschool, waarbij ook mededelingen werden gedaan die niet overeenstemmen met de beslissing door de gerechtelijke instanties.
2. Een kandidaat voor de schoolraad van de basisschool onder druk zetten om zich geen kandidaat te stellen en daarbij de directeur van de basisschool in een slecht daglicht stellen.
3. In een interview met de pers uitdrukkelijk bedenkingen uiten bij de jarenlange verloedering van een historisch gebouw, te melden dat een personeelslid jarenlang misbruik maakte van de reftermaaltijden en daarbij van beslissingen van de Raad van Bestuur te becommentariëren.
4. Zich herhaaldelijk mengen met de werking van de basisschool.
5. Overtreden van de discretieplicht door voor de hoorzitting door de Raad van Bestuur zijn nakende preventieve schorsing toe te lichten.
6. De beslissing van de Raad van Bestuur tot preventieve schorsing melden aan de pers en daarbij te verwijzen naar wantoestanden die zich op de campus afspeelden.
7. Door een halsstarrige en bewust op het conflict aansturende houding de samenwerking met collega’s op de campus onmogelijk maken.
8. De overheidsopdrachtenregeling en beginselen van behoorlijk bestuur omzeilen door ontvangsten en kosten voor schoolreizen en didactische uitstappen niet, zoals voorgeschreven, via de schoolrekening maar door een vzw te laten lopen; door exclusief te kiezen voor een bepaalde busmaatschappij de vrije concurrentie niet te laten spelen en de ouders niet de garantie te bieden op een correcte prijs.
9. Als leraar met een minderjarige ex-leerlinge een seksuele relatie aangaan, waarbij de betrokkene minstens de indruk had dat voorafgaand als leraar bewust handelingen werden gesteld met de intentie later een seksuele relatie aan te gaan.
10. Als directeur met een leerlinge, die een aantal psychische problemen en een moeilijke gezinssituatie kende, op ongepaste wijze omgaan, wat de indruk gaf een seksuele relatie voor te bereiden die er uiteindelijk ook kwam, waarbij het beëindigen van deze relatie in een ernstig conflict resulteerde dat ook werd uitgevochten op Facebook waarvan leerlingen, ouders, collega’s kennisnamen en de betrokken leerlinge omwille daarvan fysiek en psychisch erg aangeslagen is.
11. In het algemeen doen blijken van een totaal gebrek aan professionele afstand t.o.v. meisjesleerlingen door, als directeur, bij herhaling t.a.v. hen een ongepaste houding te hebben getoond.

Bestreden maatregel:

De tuchtmaatregel van het ontslag.

Beslissing in beroep:

17 januari 2017 - De tuchtmaatregel van het ontslag wordt bevestigd.

Grond van de zaak:

Feit 1. De Kamer van Beroep stelt dat het de verzoeker niet toekwam om eigener gezag in de plaats van de bevoegde leidinggevenden, leerkrachten uit zijn school aan te spreken omtrent het gedrag van de betrokken leraar, zijn personeel daarmee te verontrusten en commotie in de school te veroorzaken. In die zin maakt het een tuchtfeit uit.
Feit 2. Uit het onderzoeksverslag blijkt dat de verzoeker, die als directeur van de middenschool geen enkele bevoegdheid ter zake heeft, contact heeft opgenomen met een ouder om haar te ontraden zich kandidaat te stellen voor de schoolraad in de basisschool. De betrokken ouder ervoer dat gesprek als een initiatief om de directrice van de basisschool in een slecht daglicht te stellen. Die gegevens doen besluiten dat het tweede feit bewezen is en dat het een tuchtfeit vormt.
Feiten 3 en 6. De verzoeker stelt terecht dat de mist die het schoolbestuur liet ontstaan omtrent de beslissing om hem preventief te schorsen, hem ertoe mocht aanzetten om naar buiten te treden om aldus te vermijden dat over de redenen van zijn preventieve schorsing zou gefantaseerd worden, maar hij moest zich daarbij terughoudend opstellen en zulks niet doen met het formuleren van bijkomende aanklachten en beschuldigingen.
De verzoeker is zijn discretieplicht te buiten gegaan door via de pers aangelegenheden over de werking en het personeelsbeleid van de basisschool in de openbaarheid te brengen. Het tuchtfeit, beperkt tot het in het openbaar brengen van wantoestanden in de lagere school, is bewezen.
Feit 4. Er bestaat geen betwisting over het bestaan van de feiten op zich, noch over het gegeven dat zij allen betrekking hebben op de inmenging van de verzoeker in de werking van de basisschool.
De onderzoekscel heeft besloten dat de incidenten duidelijk maken dat verzoeker zich wel degelijk af en toe inliet met de interne keuken van de basisschool. Het onderzoeksverslag blijft afstandelijk over de vraag of die inmenging ingegeven was door het belang van de school dan wel door eigenbelang, maar toch wordt verwezen naar verklaringen dat de verzoeker dezelfde inmenging van derden in zijn middenschool niet aanvaard zou hebben. De Kamer vindt dit een valabel vergelijkingselement en daarnaast hecht zij belang aan de door de onderzoekscel genoteerde verklaringen van de collega-directeurs, de leidinggevenden op de campus en de personeelsleden van de basisschool. Al die elementen, die geëxpliciteerd zijn in het onderzoeksverslag, doen de Kamer met de raad van bestuur besluiten dat de verzoeker zich inderdaad op ongepaste wijze in de basisschool gemengd heeft en dat, globaal genomen, zulks hem als tuchtvergrijp aangerekend kan worden.
Feit 5. De Kamer ziet geen tuchtfeit in het voorlezen, zonder commentaar of kritiek, van de oproepingsbrief om zich voor de raad van bestuur te verweren tegen het voornemen tot preventieve schorsing. De verzoeker word gevolgd in de redenering dat hij tegenover zijn personeel klaarheid wou scheppen over een onduidelijke situatie.
Feit 7. De Kamer stelt vast dat de onderzoekscel de verzoeker terecht niet volledig verantwoordelijk acht voor alle incidenten. De Kamer is van oordeel dat de incidenten die aan de verzoeker ten laste gelegd kunnen worden, het afdoende bewijs vormen van een “halsstarrige en bewust op het conflict aansturende houding”. Dat die houding de “samenwerking met de collega’s onmogelijk hebben gemaakt” blijkt onder meer uit de ondertekende verklaring van de vier leidinggevenden aan de algemeen directeur en hun daarbij aansluitende verklaringen aan de onderzoekscel. Er is geen reden om de plichtsbewustheid en de gewetensernst van de betrokken personen in vraag te stellen. Het tuchtfeit is bewezen.
Feit 8. Uit het onderzoeksverslag blijkt dat de verzoeker de enige directeur van de campus is die niet systematisch prijsvergelijkingen organiseert voor de keuze van een beroepsvervoerder, waardoor de concurrentie niet speelt en het niet zeker is dat hij de beste prijs verkrijgt en aanrekent aan de ouders. Uit het onderzoeksverslag blijkt ook dat de financiële verrichtingen m.b.t. het busvervoer in de middenschool - en zulks tegen de vraag/advies van de Scholengroep in- verlopen via een vzw en niet via de boekhouding van de Scholengroep, waardoor de reglementering inzake de overheidsopdrachten omzeild wordt.
De tenlastelegging is in haar beide onderdelen bewezen en is terecht als tuchtfeit weerhouden.
Feiten 9, 10 en 11. De Kamer is van oordeel dat onvoldoende elementen aangereikt worden om te besluiten dat de verzoeker zich schuldig gemaakt heeft aan het strafrechtelijk beteugeld misdrijf van grooming -artikel 377ter Strafwetboek-.
Uit het onderzoeksverslag blijkt evenwel afdoende dat de verzoeker in zijn contacten met leerlingen van zijn school, niet de afstand heeft bewaard die van een leraar of schooldirecteur in het kader van zijn opvoedende taak mag verwacht worden. Het past evenwel de incidenten die aan de tenlasteleggingen 9 en 10 ten grondslag liggen onder te brengen bij de tenlastelegging 11 en zulks onder de algemene noemer ‘totaal gebrek aan professionele afstand t.o.v. meisjesleerlingen door, vooreerst als leerkracht, en nadien als directeur, bij herhaling een ongepaste houding te hebben betoond’. Het bewijs van die algemene tenlastelegging blijkt afdoende uit het onderzoeksverslag. In de voormelde zin heromschreven, zijn de feiten 9 tot 11 bewezen en maken zij een tuchtfeit uit.

De Kamer van Beroep onderschrijft de redenering van de raad van bestuur volkomen dat verzoeker niet de moraliteit bezit die van een personeelslid van het GO! verondersteld mag worden, nu hij als directeur “op meerdere terreinen manifest in de fout gaat” en blijft betogen dat hij steeds in het belang van de school, de campus en de leerlingen heeft gehandeld.
Het feit van de inmenging in de werking van de basisschool, van de conflictueuze situatie met de collega’s op de campus en het gebrek aan normbesef bij de benadering van meisjesleerlingen verantwoorden elk op zich een zware tuchtstraf. En gezamenlijk genomen doen zij besluiten dat de verzoeker geen personeelslid van het GO! meer kan zijn.

 

2017_01: doc bestandKamer_van_beroep_GO_2017_01_dd_20170117.doc (77 kB)

Feit:

1. Het namaken van facturen en deze voor inbetalingstelling doorsturen naar de scholengroep, waarbij op de nagemaakte factuur andere aangekochte producten dan op de originele facturen vermeld staan;
2. Het versturen van facturen voor inbetalingstelling aan de scholengroep waarbij de pagina waarop de gekochte producten vermeld worden, ontbrak en waarvan nu blijkt dat deze producten niet bestemd waren voor de school;
3. Het wissen van woorden of delen van woorden op verschillende facturen die nadien voor inbetalingstelling naar de scholengroep werden gestuurd waardoor producten die niet bestemd waren voor de school werden gemaskeerd;
4. Het versturen van facturen voor inbetalingstelling naar de scholengroep waarop zich producten bevonden die niet bestemd waren voor de school of zich niet op de school bevinden;
5. Het indienen bij de scholengroep voor aankopen van goederen die zelf of door de Vriendenkring werden geprefinancierd van onkostenstaten waarop zich producten bevonden die niet bestemd waren voor de school of zich niet op de school bevinden.

Bestreden maatregel:

De tuchtmaatregel van het ontslag.

Beslissing in beroep:

17 januari 2017 - De tuchtmaatregel van het ontslag wordt bevestigd.

Grond van de zaak:

De verzoekster betwist geenszins het bewijs van de verschillende feiten, zoals die in de tenlastelegging zeer concreet zijn aangegeven en die teruggaan op het onderzoeksverslag. Zij betwist evenmin dat het om tuchtfeiten gaat.
De Raad van Bestuur heeft uitgebreid gemotiveerd waarom het ontslag de geëigende maatregel is. De Kamer van Beroep valt die uiteenzetting bij en overweegt bijkomend dat de verzoekster geen clementie verdient nu blijkt dat de opzettelijke inbreuken die zij heeft gepleegd, niet het gevolg zijn van een eenmalige of in de tijd zeer beperkte buitenzinnigheid of bevlieging om in uiterste nood de goede werking van de school te garanderen, maar wel van een voortdurend opzet dat zij jarenlang heeft aangehouden. Evident leidt dit tot een definitieve vertrouwensbreuk in de relatie met het bestuur.