Beslissingen Kamer van Beroep 2017 - ( Officieel onderwijs)

2017 - 224: pdf bestandKamer_van_Beroep_GOO_2017_224_dd_20171220.pdf (142 kB)

Feit:

-

Bestreden beslissing:

-

Grond van de zaak:

-

 

2017 - 223: pdf bestandKamer_van_Beroep_GOO_2017_223_dd__20180117.pdf (354 kB)

Feit:

-

Bestreden beslissing:

-

Grond van de zaak:

-

 

2017 - 222: pdf bestandKamer_van_Beroep_GOO_2017_222_dd_20171129.pdf (259 kB)

Feit:

-

Bestreden beslissing:

-

Grond van de zaak:

-

 

2017 - 221: pdf bestandKamer_van_Beroep_GOO_2017_221_dd_20171011.pdf (182 kB)

Feit:

-

Bestreden beslissing:

-

Grond van de zaak:

-

 

 

 

2017 - 214: pdf bestandKamer_van_Beroep_GOO_2016_214_dd_20170215.pdf (31 kB)

Feit:

Ingevolge een incident tussen de verzoekende partij en de directie, wordt diezelfde dag de directie door het College van Burgemeester en Schepenen gehoord en het College van Burgemeester en Schepenen neemt daarna de beslissing om de tewerkstelling van de verzoekende partij onmiddellijk en zonder opzegtermijn te beëindigen omwille van de volgende dringende reden: 'Beledigingen of verwijten ten aanzien van de directeur en in het bijzijn van de kinderen waardoor de normale professionele relatie tussen (de verzoekende partij) en de directeur van de school onherstelbaar beschadigd is, waarbij dit optreden tevens het vertrouwen bij de leerlingen heeft weggenomen en waardoor het zeer aannemelijk is dat velen onder hen thans beangstigd zouden zijn door de aanwezigheid van (de verzoekende partij)'. Met hetzelfde besluit wordt de verzoekende partij bij hoogdringendheid preventief geschorst.

Bestreden beslissing:

Preventieve schorsing bij hoogdringendheid en ontslag om dringende redenen

Beslissing in beroep:

15 februari 2017 – Onontvankelijkheid van het beroep.

Grond van de zaak:

1. Voor zover het beroep betrekking heeft op de beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen waarbij de verzoekende partij bij hoogdringendheid preventief wordt geschorst, doet de Kamer van Beroep opmerken dat er geen beroep mogelijk is tegen de preventieve schorsing die het gevolg is van een beroep tegen het ontslag om dringende redenen.
2. De Kamer van Beroep wijst erop dat het beroep op straffe van niet-ontvankelijkheid moet gemotiveerd zijn (art. 17bis, § 1, 2de Besluit Vlaamse Regering van 22 mei 1991).
De verzoekende partij geeft in zijn beroepschrift een overzicht van de startproblemen die hij na zijn aanstelling heeft gekend en van de moeilijkheden die hij, naar eigen zeggen, de eerste dagen heeft ondervonden. Het is een opsomming van zaken die, naar zijn oordeel, ten laste van de directie moeten worden gelegd. Op geen enkel moment maakt hij echter gewag van het incident dat zich op 16 januari 2017 met de directie heeft voorgedaan en waarvoor hij door het College van Burgemeester en Schepenen om dringende redenen zonder opzegging is ontslagen. Hij brengt, naar het oordeel van de Kamer van Beroep, geen argumenten aan die de beslissing van het schoolbestuur zouden kunnen ontkrachten. Hij roept dus geen middelen in tegen zijn ontslag. Het ontbreken van een motivering brengt de onontvankelijkheid van het beroepschrift mee.

 

2017 - 215: pdf bestandKamer_van_Beroep_GOO_2016_215_dd_20170222.pdf (44 kB)

Feit:

Het College van Burgemeester en Schepenen besliste een tuchtonderzoek in te stellen ten laste van de verzoekende partij wegens: 'Intimiderende, ongepaste, seksueel getinte gedragingen en uitlatingen tegenover minstens één minderjarige leerling van het vrouwelijk geslacht. Nochtans was u er naar aanleiding van eerdere gelijkaardige klachten bij brief van het College van Burgemeester en Schepenen op gewezen dat, alhoewel u werd vrijgesproken wegens de u dienaangaande ten laste gelegde feiten, 'het taalgebruik zoals gehanteerd in de bewuste les en waarvan uitdrukkelijk akte in de uitspraak van de rechter, op geen enkel moment en op geen enkele manier passend is in de schoolcontext' en dat 'een herhaling daarvan derhalve geenszins zou worden getolereerd'. In aansluiting aan de hoorzitting heeft het College van Burgemeester en Schepenen beslist de verzoekende partij wegens de voormelde tenlasteleggingen preventief te schorsen voor de duur van één jaar met behoud van wedde m.i.v. de derde kalenderdag nadat de beslissing bij aangetekende brief met de post is verstuurd.

Tuchtmaatregel:

De beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen tot preventieve schorsing voor de duur van één jaar met behoud van wedde

Beslissing in beroep:

22 februari 2017 - De beslissing tot preventieve schorsing voor de duur van één jaar met behoud van wedde wordt vernietigd.

Grond van de zaak:

Hoewel de Kamer van Beroep er zich van bewust is dat de bewijslast die op de verwerende partij rust om de ernst van de beweerde misdraging aan te tonen, niet zover kan gaan dat verwerende partij onomstotelijke bewijzen voorlegt, wijst de Kamer erop dat toch verwacht mag worden dat verwerende partij een inspanning doet om de beweerde misdraging van verzoekende partij op haar authenticiteit te onderzoeken en de beoordelen. Uit de voorgelegde stukken en uit verklaringen tijdens de hoorzitting blijkt dat verwerende partij zich voor de preventieve schorsing van verzoekende partij enkel gesteund heeft op de verklaring van de leerlinge bij de politie ruim veertien dagen na het voorval zonder enige inspanning te doen om met een eigen onderzoek – hoe beperkt ook – de vereiste minimale geloofwaardigheid van het incident te onderzoeken alvorens de preventieve schorsing op te leggen. De Kamer van Beroep merkt hierbij op dat enkel de vraag 'mag ik u aanranden ?' in tijd en ruimte gesitueerd is, in tegenstelling tot de andere beweerde uitspraken. De loutere verwijzing naar de vroegere aanklachten die het voorwerp waren van de strafrechtelijke procedure is naar het oordeel de Kamer van Beroep onvoldoende. Het is in die omstandigheden voor de Kamer van Beroep niet mogelijk om de minimale geloofwaardigheid van de ten laste gelegde misdraging te verifiëren. Vermits op de zitting de verwerende partij evenmin kon bevestigen dat op heden een onderzoek gestart, noch gepland is, mist de preventieve schorsing van verzoekende partij een deugdelijke functionele grondslag en ziet de Kamer van Beroep geen reden om verzoekende partij de voortzetting van haar onderwijstaak te ontzeggen.

 

2017 - 216: pdf bestandKamer_van_Beroep_GOO_2016_216_dd_20170308.pdf (77 kB)

Feit:

1. geen gevolg geven aan de richtlijnen van verwerende partij om geen contacten te onderhouden met de pers m.b.t de terroristische aanslagen in Parijs op 13 november 2015 en inzonderheid de deelname van een gewezen leerling aan deze aanslagen. 2. de dwingende richtlijnen m.b.t. het melden van radicaal gedrag en ongewone gebeurtenissen niet naleven.

Bestreden beslissing:

De beslissing van de Gemeenteraad van de tuchtmaatregel van ontslag.

Beslissing in beroep:

8 maart 2017 - De beslissing van de Gemeenteraad van de tuchtmaatregel van ontslag wordt vernietigd.

Grond van de zaak:

1. Verzoekende partij ontkent niet dat zij contact heeft gehad met de media. De Kamer van Beroep kan niet anders dan vaststellen dat verzoekende partij hoe dan ook door haar contacten met een journalist onvoorzichtig is geweest en dat zij daardoor de richtlijnen van de Pedagogisch Inspecteur-generaal niet heeft nageleefd. Dit onderdeel van de tenlastelegging wordt door de Kamer van Beroep bijgevolg weerhouden.
Het is naar het oordeel van de Kamer van Beroep niet met zekerheid aangetoond dat verzoekende partij zelf het e-mailbericht aan een journalist heeft bezorgd, noch via welke weg het bericht bij de media is terecht gekomen. De Kamer van Beroep is niet overtuigd dat verzoekende partij het e-mailbericht aan de pers heeft gegeven noch wat de beweegredenen waren om het bericht aan de collega’s te bezorgen. In elk geval blijkt uit het voorliggend dossier en de verklaringen tijdens de hoorzitting niet dat de verzoekende partij het e-mailbericht aan de collega’s heeft bezorgd met de bedoeling om het aan de pers door te geven. Om die reden wordt dit onderdeel van de tenlastelegging niet weerhouden.
2. Met de tekst van de nota van 29 oktober 2010 en de redenen die aanleiding gaven tot de totstandkoming van deze nota voor ogen, inzonderheid de verwijzing naar ernstige incidenten en daden van agressie, en rekening houdend met het feit dat radicalisme, radicaal gedrag en radicaal ideeëngoed niet aan bod kwamen, is de Kamer van Beroep van oordeel dat verzoekende partij misschien alerter had moeten reageren op de signalen die zij kreeg, maar de Kamer van Beroep ziet in de beoordeling van deze signalen door verzoekende partij, met hetgeen aan verzoekende partij op dat ogenblik bekend was en met de tekst van de nota voor ogen, geen tuchtrechtelijke tekortkoming.
Deze gedachtegang kan echter niet worden gevolgd na de inwerkingtreding van de instructie van 3 maart 2015 waarbij aan de schooldirecties uitdrukkelijk de plicht wordt opgelegd om 'feiten in verband met radicalisme' te melden aan de Directeur-generaal van het Departement Onderwijs. Verzoekende partij is meerdere keren door personeelsleden aangesproken over meerdere leerlingen met extreem radicale ideeën, maar verzoekende partij heeft, ook na de inwerkingtreding van de instructie van 3 maart 2015, enkel over een leerling gemeld aan de Directeur-generaal. De gezegdes en gedragingen van andere leerlingen heeft verzoekende partij blijkbaar niet onmiddellijk als tekenen van een radicaliserend of geradicaliseerd gedrag ingeschat en zij heeft ook de namen niet gemeld aan het schoolbestuur. Zij heeft getracht binnen de school het tij te keren via een pedagogische aanpak, maar is, naar het oordeel van de Kamer van Beroep, onvoldoende alert geweest om blijvend te verifiëren of de pedagogische hulpmiddelen het gewenste resultaat hadden op het gedrag van de leerlingen met een extreem ideeëngoed. Verzoekende partij heeft in elk geval de houding van bepaalde leerlingen niet als voldoende ernstig ingeschat om als radicaliserend of geradicaliseerd te beschouwen en hiervan aangifte te doen zoals dit door de instructie van 3 maart 2015 was voorgeschreven.

De Kamer van Beroep begrijpt dat de handelwijze van verzoekende partij niet overeenstemt met hetgeen het schoolbestuur van een directie mag verwachten en dat, wat de verzachtende omstandigheden ook mogen zijn, de voormelde weerhouden feiten en handelwijze een tuchtstraf verantwoorden, maar is echter van oordeel dat in voorliggende zaak het ontslag bij tuchtmaatregel een te zware tuchtstraf is die abrupt een einde stelt aan de jarenlange loopbaan van verzoekende partij en in redelijkheid niet kan behouden blijven als sanctie voor de weerhouden tenlasteleggingen.

 

2017 - 217: pdf bestandKamer_van_Beroep_GOO_2016_217_dd_20170329.pdf (56 kB)

Feit:

1. De intentie gegeven om niet te willen meewerken aan een bemiddelingsprocedure; 2. het meesturen van een anonieme brief namens het lerarenteam met een klachtenbrief die aan het College van Burgemeester en Schepenen werd gestuurd; 3. onprofessioneel gedrag (verbaal agressief) gedrag tegenover een hiërarchische overste (m.n. de directeur).

Bestreden beslissing:

De beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen tot tuchtstraf 'afhouding van wedde gedurende één maand met 2,5%'.

Beslissing in beroep:

29 maart 2017 - De beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen tot tuchtstraf 'afhouding van wedde gedurende één maand met 2,5%' wordt bevestigd.

Grond van de zaak:

1. De Kamer van Beroep kan niet anders dan vaststellen dat de verzoekende partij zich van het begin zeer defensief heeft opgesteld tegenover de bemiddelingsopdracht, hetgeen de kans dat de bemiddeling voor haar een gunstig effect zou hebben, sterk heeft gehypothekeerd. Haar ingesteldheid tegenover de bemiddeling, inzonderheid de werksituatie tussen haar en de directie, heeft meegebracht dat de bemiddeling voor haar niet het verhoopte resultaat heeft opgeleverd en het herstelbeleid heeft bemoeilijkt. De verklaring dat zij de afsprakennota en het bemiddelingsprotocol niet wenst te ondertekenen maar de gemaakte afspraken nakomt en verder zal nakomen, neemt niet weg dat zij niet actief heeft deelgenomen aan het bemiddelingsproces en de bemiddeling in haren hoofde geen kansen heeft gegeven en het globale resultaat van de bemiddeling en van de nieuwe werking van de dienst heeft beïnvloed.
2. Ongeacht of de anonieme brief al dan niet een vertrouwelijk document was en als zodanig was overhandigd door de waarnemend directeur, is de Kamer van Beroep van oordeel dat het hoe dan ook niet aan de verzoekende partij toekwam om een kopie van de anonieme brief te gebruiken ter ondersteuning van haar eigen klachten in haar brief aan het College van Burgemeester en Schepenen. Door de anonieme brief als bijlage toe te voegen bij de eigen brief is de verzoekende partij tekort gekomen aan de plicht tot terughoudendheid voor zaken die zij als secretariaatsmedewerker onder ogen kreeg. Het feit dat de anonieme brief reeds eerder bekend was aan het College van Burgemeester en Schepenen doet niets af van de veronderstelde terughoudendheid waarmee de verzoekende partij haar taken dient uit te oefenen.
3. Hoewel sommige verklaringen in het tuchtdossier niet ondertekend zijn en de gerelateerde feiten niet steeds met zekerheid in de tijd kunnen worden gesitueerd, blijkt naar het oordeel van de Kamer van Beroep, uit de verklaringen van personeelsleden van de school en van personeelsleden van andere diensten van het gemeentebestuur duidelijk en voldoende dat de verzoekende partij zich in scherpe bewoordingen heeft uitgelaten over de directie en zaken heeft gezegd die een beschuldigend karakter hebben. Zo heeft zij tijdens de zitting bevestigd dat ze tegen de directeur heeft gezegd dat hij liegt en bedriegt. Uit de verklaringen blijkt dat haar uitspraken over de directie de normale omgangsvormen ruim te buiten gaan waarbij elk respect voor de hiërarchische meerdere wordt genegeerd. Een dergelijke veruitwendiging van de ingesteldheid van de verzoekende partij t.o.v. de directie is onaanvaardbaar en vormt een tekortkoming in de uitoefening van haar taak.

Naar het oordeel van de Kamer van Beroep zijn de voormelde houding en handelwijze van de verzoekende partij in de uitoefening van haar taak en in de omgang met de directie, tekortkomingen die niet kunnen getolereerd worden en die nadelig zijn voor de goede werking van de school en een tuchtstraf verantwoorden. De Kamer van Beroep is van oordeel dat de tuchtstraf van 'afhouding van wedde gedurende één maand met 2,5%' geoorloofd is om voor de verzoekende partij als signaal te dienen om haar taken collegiaal uit te voeren op de wijze zoals dit van haar mag verwacht worden.

 

2017 - 218: pdf bestandKamer_van_Beroep_GOO_2016_218_dd_20170426.pdf (53 kB)

Feit:

1. het niet toezien op en (doen) naleven van de veiligheidsvoorschriften die een veilige werkorganisatie in de praktijklokalen en labo’s elektriciteit waarborgt; 2. de overtreding van het reglement voor werkplaats en labo richting elektriciteit, in het bijzonder rubriek B. Persoonlijke veiligheidsuitrusting, punt 5: 'Een machine of een schakeling mag maar onder spanning gebracht worden na de goedkeuring van de leerkracht'; 3. de houding ten opzichte van de leerlingen: leerlingen krijgen onvoldoende informatie om praktijkoefeningen te maken, nieuwe leerlingen weten onvoldoende welke koppelingen te maken alvorens aan de praktijk te beginnen, leerlingen krijgen onvoldoende uitleg en feedback bij tekeningen die ze moeten maken, leerlingen blijven zonder voldoende uitleg over opdrachten en zonder toezicht alleen in het praktijklokaal, ondanks heel wat gesprekken, begeleidings- en intervisiemomenten, afspraken en opvolging ervan en coaching is geen verbetering merkbaar in uw houding en aanpak; 4. de negatieve impact op het leerproces van de leerlingen: onvoldoende werkmateriaal ter beschikking stellen, onvoldoende en/of onduidelijke werkinstructies aan de leerlingen bezorgen, geen en/of onduidelijke feedback geven bij opdrachten die leerlingen uitvoerden, onvoldoende aandacht besteden aan de kennis van en het (doen) naleven van de veiligheidsvoorschriften, niet creëren van een veilige omgeving waardoor op een onverantwoorde manier les wordt gegeven en onvoldoende voortgang in het leerproces wordt gemaakt, niet realiseren van een positieve en motiverende werkhouding als leerkracht waardoor leerlingen gedemotiveerd raken en een hypotheek wordt gelegd op hun verdere leer- en tewerkstellingsmogelijkheden.

Bestreden beslissing:

De beslissing van de Deputatie van de Provincieraad waarbij de tuchtstraf van de schorsing voor de duur van 6 maanden wordt opgelegd.

Beslissing in beroep:

26 april 2017 - De tuchtstraf van de schorsing voor de duur van 6 maanden wordt bevestigd.

Grond van de zaak:

De Kamer van Beroep stelt vast dat het beroepen besluit betrekking heeft op twee tenlasteleggingen: 1. het laten ontstaan van een onveilige situatie op 13 september 2016 en 2. de wijze waarop de verzoeker zijn opdracht als leraar invult.
1. Het verslag van de leerlingenbegeleidster bewijst dat drie leerlingen van de klas haar gecontacteerd hebben om het incident (een medeleerling stak een stekker in het stopcontact die aan het andere uiteinde niet beveiligd was en de verzoekende partij reageerde niet) te melden. Het dossier bevat ook een verklaring aan directrice, waaruit blijkt dat leerlingen uit een andere klas hem hetzelfde incident verteld hebben. Uit het dossier, waarvan de stukken verduidelijkt zijn tijdens de getuigenverhoren, blijkt dat de leerlingenbegeleidster zonder dralen de directrice verwittigd heeft van het voorval en dat de directrice op haar beurt de bevoegde diensten van het provinciebestuur verwittigd heeft met de vraag om dringend op te treden. De leerlingenbegeleidster verwijst in haar getuigenis ook naar de omstandigheid dat zij de leerlingen die haar inlichtten kent en niet twijfelt aan hun geloofwaardigheid. Er is voorts geen reden om aan de geloofwaardigheid van de leerlingenbegeleidster, die een vertrouwensfunctie vervult, te twijfelen. Komt daarbij dat de verzoeker tijdens zijn verhoor door de Deputatie verklaard heeft dat hij ‘zijn rug gekeerd had omdat hij geroepen werd door een andere leerling’ en dat hij ‘nadien gehoord heeft dat de betrokken leerling de schakeling heeft losgemaakt onder spanning’. De verzoekende partij erkent daarmee dat een leerling een onveilige situatie gecreëerd heeft.
Aan de leerlingenbegeleidster is verklaard dat de verzoeker kon zien wat de leerling deed maar dat hij niet reageerde; deze verklaring werd bevestigd in een andere. De -vage en algemene- uitleg van de verzoeker dat hij op het ogenblik van de feiten met een andere leerling bezig was ontheft hem niet van de verantwoordelijkheid om de nodige maatregelen te nemen om aansluitingen op het elektriciteitsnet slechts onder persoonlijk toezicht toe te laten en de verzoeker verstrekt geen aanwijzingen waarom exceptionele omstandigheden hem zouden verhinderd hebben die algemene voorzichtigheid in acht te nemen. Daarbij wordt in acht genomen enerzijds dat de verzoeker instond voor slechts 9 leerlingen en anderzijds dat het manipuleren van elektriciteitsdraden, gelet op de evidente risico’s, sowieso in alle omstandigheden bijzondere aandacht verdient. Die overwegingen, gezamenlijk genomen, brengen de Kamer van Beroep ertoe de eerste tenlastelegging voor bewezen te houden en die inbreuk als een miskenning van zijn beroepsplichten aan de verzoekende partij ten laste te leggen.
2. Het dossier bevat geen stukken die de Kamer van Beroep toelaten dit feit voor bewezen te houden en het als een tuchtfeit aan de verzoeker tegen te werpen. De verklaring van de leerlingenbegeleidster wordt met geen concrete gegevens gestaafd en gaat eigenlijk terug naar de verslagen die in het kader van het functioneren en de evaluatie van de verzoeker werden opgemaakt. Die evaluatie- en functioneringsverslagen verwijzen gewis naar gegevens die een onbehoorlijk functioneren kunnen onderbouwen, maar dat verantwoordt niet dat de verwerende partij van een evaluatie naar een tuchtactie kan gaan.
De Kamer van Beroep hecht bijzonder belang aan het feit dat de verzoeker recidiveert: opnieuw en reeds na een goed jaar is hij verantwoordelijk voor een onveilige toestand tijdens de praktijkles. Blijkbaar volstond de eerdere tuchtstraf dus niet om hem meer verantwoordelijkheidszin bij te brengen en er wordt niet ingezien welke remediërende cursus aan zijn persoonlijke ingesteldheid enig soelaas kan brengen. Om die reden is de Kamer van Beroep van oordeel dat het aangehouden tuchtfeit op zich een tuchtstraf van zes maanden schorsing rechtvaardigt.

 

2017 - 219: pdf bestandKamer_van_Beroep_GOO_2016_219_dd_20170823.pdf (41 kB)

Feit:

De Kamer van Beroep gaat enkel na of het College van Burgemeester en Schepenen al dan niet redelijk is opgetreden bij het nemen van de beslissing om preventief te schorsen in afwachting van de uitslag van het tuchtonderzoek.

Bestreden beslissing:

De beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen tot preventieve schorsing voor de duur van het tuchtonderzoek.

Beslissing in beroep:

23 augustus 2017 - De preventieve schorsing voor de duur van het tuchtonderzoek wordt vernietigd.

Grond van de zaak:

De Kamer van Beroep herinnert eraan dat zij bij de behandeling van een beroep tegen een preventieve schorsing geen uitspraak doet of de beweerde tekortkomingen al dan niet gegrond zijn, maar heeft enkel de ernst van de beweerde tekortkomingen voor ogen in relatie tot de vraag of de betrokkene nog normaal kan functioneren en/of door de aanwezigheid van de betrokkene de werking van de dienst en/of het onderwijs al dan niet wordt verstoord.
Hoewel de Kamer van Beroep zich ervan bewust is dat in het stadium van de preventieve schorsing het schoolbestuur niet zover kan gaan dat het onomstotelijke bewijzen voorlegt en het bestuur kan volstaan met een verwijzing naar de informatie die o.m. door collega’s is aangebracht, wijst de Kamer van Beroep erop dat van een zorgvuldig bestuur mag verwacht worden dat het de aangebrachte feiten en klachten op hun ernst en minimale geloofwaardigheid onderzoekt vooraleer de betrokkene preventief te schorsen. Uit de voorgelegde stukken blijkt dat er door het schoolbestuur geen eigen voorafgaand onderzoek is gebeurd en het schoolbestuur zich voor de preventieve schorsing heeft gesteund op een verhoor zonder enig onderzoek naar de authenticiteit en de geloofwaardigheid van de klachten ten laste van de verzoekende partij.
Zonder zich uit te spreken over de vraag of de voormelde tenlasteleggingen geheel of gedeeltelijk, al dan niet als tuchtrechtelijke tekortkomingen kunnen en zullen worden weerhouden, ziet de Kamer van Beroep in de tenlasteleggingen geen gedragingen of handelingen die zwaarwichtig genoeg zijn om te besluiten dat de aanwezigheid van de verzoekende partij onverenigbaar is met het belang van de dienst of het onderwijs en dat zij uit de school moet verwijderd worden om de dienst of het onderwijs verder te kunnen laten functioneren, noch wordt er volgens de Kamer van Beroep aangetoond dat de aanwezigheid op de school van de verzoekende partij een belemmering zou zijn voor een normaal verloop van het tuchtonderzoek en dat haar aanwezigheid een sereen onderzoek van de klachten in de weg zou staan.

 

2017 - 220: pdf bestandKamer_van_Beroep_GOO_2016_220_dd_20170906.pdf (82 kB)

Feit:

1. Regelmatige laattijdige aanwezigheid of zelf ongewettigde afwezigheid op school; 2. het ten onrechte beweren dat bepaalde voorwerpen en meubilair privébezit zijn en het laten verplaatsen van die goederen; 3. het voeren van een onzorgvuldig en niet transparant financieel beheer met het laattijdig betalen van facturen en de gevolgen daarvan o.m. ten nadele van de leerlingen; 4. het niet naleven van instructies van de pedagogisch inspecteur-generaal en niettegenstaande die instructies, op bepaalde dagen en uren afwezig zijn tijdens de periode van het dreigingsniveau 4.

Bestreden beslissing:

De beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen waarbij de tuchtstraf wordt opgelegd van de afhouding van wedde van 20% gedurende drie maanden.

Beslissing in beroep:

6 september 2017 - De tuchtstraf van de afhouding van wedde van 20% gedurende drie maanden wordt bevestigd.

Grond van de zaak:

1. De Kamer van Beroep stelt vast dat de eerste tenlastelegging steunt op verklaringen, waarvan sommige anoniem zijn afgelegd, en op verklaringen in uiterst vage bewoordingen van personeelsleden ('de directie komt vaak te laat en is vaak afwezig'; 'de directeur is meestal te laat op school'; 'de directie is vaak afwezig al dan niet wegens ziekte', maar zonder opgave van data of tijdstip. Uit het voorliggend dossier kan dus niet worden opgemaakt wanneer verzoekende partij ongewettigd afwezig was en dat de beweerde ongewettigde afwezigheden door een vertegenwoordiger van het schoolbestuur zijn vastgesteld. Een tenlastelegging die niet in tijd en ruimte kan worden gesitueerd, kan naar het oordeel van de Kamer van Beroep niet als een tuchtfeit worden weerhouden.
2. verzoekende partij heeft toegegeven dat de vermelde voorwerpen en meubilair niet haar privé-eigendom zijn en dat zij de verklaring ondertekend heeft om de verhuis van het meubilair en de voorwerpen toch te kunnen laten doorgaan. Hoe dan ook staat vast dat, wat de reden ook moge zijn, verzoekende partij een verklaring heeft ondertekend die niet met de werkelijkheid overeenstemde om een verhuis van meubilair en voorwerpen te laten doorgaan die in normale omstandigheden niet toegelaten was. De handelwijze van verzoekende partij is dus een tekortkoming en wordt als tuchtfeit weerhouden.
3. Na een overgangsperiode binnen welke de overdracht van de financiële rekeningen werden geformaliseerd en de beschikbare kredieten werden verdeeld, werden een aantal facturen laattijdig betaald, niettegenstaande er voldoende gelden beschikbaar waren. Het schoolbestuur mag van een directie verwachten dat, binnen het met het schoolbestuur afgesproken kader van de financiële autonomie van betrokken onderwijsinstelling, de facturen tijdig worden betaald of althans dat de directie de werking van de dienst zodanig organiseert dat deze betalingen tijdig gebeuren en ingrijpt zodra er zich problemen stellen. Dit is in voorliggend geval niet of onvoldoende gebeurd en is een tekortkoming in de uitoefening van het directieambt en wordt als tuchtfeit weerhouden.
4. De Kamer van Beroep stelt vast dat met een instructie van de inspecteur-generaal van 21 en 23 november 2015 aan de directies opdracht werd gegeven om samen met het personeel aan de schoolpoort aanwezig te zijn om 7u30. Uit eensluidende verklaringen die meerdere personeelsleden hebben afgelegd, blijkt dat verzoekende partij enkel aan de schoolpoort aanwezig was op woensdag 25 november 2015 (de eerste dag na het heropenen van de scholen), maar niet aanwezig was op donderdag 26 november 2015 (de tweede dag na het heropenen van de scholen) en ook op andere dagen laattijdig aankwam. Uit deze feitelijkheden blijkt duidelijk dat verzoekende partij de instructies van het schoolbestuur niet heeft nageleefd en de inbreuken derhalve als een tuchtfeit worden weerhouden.
De Kamer van Beroep heeft bij de eindbeoordeling de aangehaalde verzachtende omstandigheden in overweging genomen maar de Kamer is van oordeel dat de weerhouden tekortkomingen ernstige inbreuken zijn op de beroepsplichten van een directie en voldoende zwaarwichtige redenen zijn om de opgelegde tuchtstraf te verantwoorden en te handhaven.