Salarisinfo - Vakantiegeld 2014

1. Raamakkoord tussen de Vlaamse Regering en de representatieve vakorganisaties (23 november 2012)

Bij de begrotingsopmaak 2013 besliste de Vlaamse Regering dat de onderwijssector een besparing van 82 miljoen diende te realiseren op een budget van 10,9 miljard euro. Door het raamakkoord wordt de beoogde besparing gerealiseerd zonder dat de personeelsleden koopkrachtverlies lijden. Dit is mogelijk door het vakantiegeld voor sommige personeelsleden te verminderen en tegelijkertijd de eindejaarstoelage te verhogen met eenzelfde bedrag.

Concreet wordt het vakantiegeld 2014 (en 2015) voor de personeelsleden die uitsluitend vast benoemd of tot de proeftijd toegelaten zijn, verminderd. Deze vermindering wordt in hetzelfde jaar gecompenseerd door een even grote toename van de eindejaarstoelage.

 

2. Praktische uitvoering

2.1. Toepassing raamakkoord

De personeelsleden voor wie tijdens de referentieperiode voor de berekening van het vakantiegeld uitsluitend prestaties als vast benoemd of tot de proeftijd toegelaten personeelslid in aanmerking komen, vallen onder de toepassing van het raamakkoord.

De berekeningsbasis voor het vakantiegeld is 70,26 % van het bruto-salaris van de referentiemaand en niet de normale 92 %. De personeelsleden zullen evenwel het berekend verschil tussen 92 % en 70,26 %, nog vermenigvuldigd met de coëfficiënt 1,0368 ter compensatie van de verschuldigde werknemersbijdrage VGZ op de eindejaarstoelage, ontvangen bij de uitbetaling van de eindejaarstoelage 2014.

2.2. Geen toepassing raamakkoord

Voor de personeelsleden die niet onder de toepassing van het raamakkoord vallen, blijft de berekeningsbasis voor het vakantiegeld 92 % van het bruto-salaris van de referentiemaand. Voor deze personeelsleden verandert er dus niets.

2.3. Algemene opmerking

Bij de bepaling van het bruto-bedrag van het vakantiegeld wordt uiteraard rekening gehouden met o.a. de prestaties tijdens het referentiejaar. Het referentiejaar is het voorafgaande kalenderjaar.

De bepalingen van het koninklijk besluit van 30/1/1979 blijven gelden.

 

3. Voorbeelden

3.1. Toepassing raamakkoord
 

Voorbeeld 1 (salarisschaal 501 – licentiaat/master):

Een tijdens de referentieperiode voor de berekening van het vakantiegeld uitsluitend vast benoemd leraar in het secundair onderwijs, derde graad, met een lesopdracht van 20/20 economie, salarisschaal 501 en een geldelijke anciënniteit van 12 jaar en 2 maanden op 1 maart 2014.

het geïndexeerde jaarsalaris van maart 2014 = 46.805,45 EUR
het geïndexeerde maandsalaris van maart 2014 = 3.900,45 EUR
92% van dit geïndexeerde maandsalaris = 3.588,42 EUR
70,26% van dit geïndexeerde maandsalaris = 2.740,46 EUR

  • het vakantiegeld 2014 van dit personeelslid bedraagt dus 2.740,46 EUR bruto.
  • het berekende verschil tussen 92% en 70,26% (847,96 EUR bruto) zal toegevoegd worden aan de eindejaarstoelage 2014. Dit verschil wordt nog vermenigvuldigd met 1,0368 (847,96 x 1,0368 = 879,16 EUR bruto).
  • bij de bepaling van het brutobedrag van het vakantiegeld wordt uiteraard rekening gehouden met de prestaties tijdens het referentiejaar 2013.In het voorbeeld heeft het personeelslid gedurende het hele referentiejaar voltijds gewerkt. Indien dit niet het geval is, wordt het brutobedrag van het vakantiegeld logischerwijze proportioneel verminderd.

 

3.2. Geen toepassing raamakkoord
 

Voorbeeld 2 (salarisschalen 141/148/301 – kleuteronderwijzer, onderwijzer, regent, bachelor):

Een tijdens de referentieperiode voor de berekening van het vakantiegeld tijdelijk aangesteld onderwijzer met een lesopdracht van 24/24, salarisschaal 148 en een geldelijke anciënniteit van 3 jaar en 2 maanden op 1 maart 2014.

het geïndexeerde jaarsalaris van maart 2014 = 30.638,59 EUR
het geïndexeerde maandsalaris van maart 2014 = 2.553,22 EUR
92% van dit geïndexeerde maandsalaris = 2.348,96 EUR

  • het vakantiegeld 2014 van dit personeelslid bedraagt dus 2.348,96 EUR bruto.
  • bij de bepaling van het brutobedrag van het vakantiegeld wordt uiteraard rekening gehouden met de prestaties tijdens het referentiejaar 2013. In het voorbeeld heeft het personeelslid gedurende het hele referentiejaar voltijds gewerkt. Indien dit niet het geval is, wordt het brutobedrag van het vakantiegeld logischerwijze proportioneel verminderd.
  • hierop dient vervolgens een beperking van 13,07 % toegepast te worden.

 

4. Centra voor Basiseducatie (CBE)

 

Voor de personeelsleden van de Centra voor Basiseducatie (CBE) bedraagt het vakantiegeld 92 % van het geïndexeerde maandsalaris van de referentiemaand maart 2014. Uiteraard wordt ook hier rekening gehouden met o.a. de prestaties tijdens het referentiejaar (dit is het voorafgaande kalenderjaar).

Zie voor alle verdere informatie ook:
Akkoorden van sociale programmatie voor de jaren 2012-2014. - Maatregelen in het kader van het geldelijk statuut