Beslissingen College van Beroep 2020 ( Gesubsidieerd Officieel Onderwijs )

2020-07  pdf bestandCvB_GOO_beslissing_07_2020.pdf (115 kB)                     

Feit: 

evaluatie.

Bestreden beslissing:

evaluatie met eindconclusie ‘onvoldoende’.

Beslissing:

18 november 2020 – het college van beroep vernietigt de bestreden beslissing.

Grond van de zaak:

Als het evaluatieverslag de eindconclusie “onvoldoende” bevat, moet het verslag op straffe van nietigheid steeds de beroepsmogelijkheden bevatten. Wanneer de beroepsmogelijkheden niet vermeld zijn, dan zijn het evaluatieverslag en de eindevaluatie “onvoldoende” van rechtswege nietig.

Uit de desbetreffende bepalingen van het Decreet Rechtspositieregeling van 27 maart 1991 blijkt dat de geïndividualiseerde functiebeschrijving in het evaluatieproces het vertrekpunt is en er de toetsingsmaatstaf van uitmaakt. De bedoelde functiebeschrijving is in de evaluatie een essentieel element, waarover met het betrokken personeelslid wordt overlegd en ingeval er geen overeenstemming wordt bereikt, de inrichtende macht of haar gemandateerde beslist. Door het ontbreken van de geïndividualiseerde functiebeschrijving kan de evaluatie niet gebeuren volgens de voorschriften van het Decreet Rechtspositieregeling van 27 maart 1991 en de voorliggende evaluatie dient te worden vernietigd.

 

2020-06  pdf bestandCvB_GOO_beslissing_06_2020.pdf (125 kB)                      

Feit: 

evaluatie.

Bestreden beslissing:

evaluatie met eindconclusie ‘onvoldoende’.

Beslissing:

8 oktober 2020 – het college van beroep beslist de onontvankelijkheid van de bestreden beslissing.

Grond van de zaak:

De raadsman van de verwerende partij werpt de onbevoegdheid van de kamer voor het gesubsidieerd officieel onderwijs van het college van beroep op.

De kamer voor het gesubsidieerd officieel onderwijs van het college van beroep, bestaande uit actoren binnen het gesubsidieerd officieel onderwijs, is uitsluitend bevoegd voor de personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs, waartoe verzoekende partij niet behoort. Deze kamer van het college van beroep is niet bevoegd om het beroep van een personeelslid van het gesubsidieerd vrij onderwijs tegen de evaluatie met eindconclusie ‘onvoldoende’ ten gronde te behandelen. In zoverre is het beroep ratione personae onontvankelijk.

De raadsman van verzoekende partij geeft aan dat er een vergissing werd gemaakt bij de aanwijzing van de bevoegde kamer van het college van beroep en vraagt het beroepsschrift door te zenden naar de Kamer voor het gesubsidieerd vrij onderwijs van het college van beroep.

De reglementering voorziet niet in het doorzenden van een beroepsschrift naar de bevoegde kamer van het college van beroep, maar verbiedt zulks ook niet. De kamer voor het gesubsidieerd officieel onderwijs van het college van beroep wil geen overdreven formalisme aan de dag leggen. Als element van goed bestuur gaat deze kamer in op de vraag tot verzending, zeker nu de drie kamers van het college van beroep organen van actief bestuur zijn bij dezelfde Vlaamse administratie. De rechtspositie van verzoekende partij wordt trouwens geregeld door hetzelfde DRP als waarvoor deze kamer van het college van beroep bevoegd is.

 

2020-05  pdf bestandCvB_GOO_beslissing_05_2020.pdf (108 kB)                     

Feit: 

evaluatie.

Bestreden beslissing:

evaluatie met eindconclusie ‘onvoldoende’.

Beslissing:

8 oktober 2020 – het college van beroep vernietigt de bestreden beslissing.

Grond van de zaak:

Er werd initieel geen geïndividualiseerde functieomschrijving opgemaakt. Op 3 februari 2014 werd er wel een algemene functiebeschrijving opgemaakt en deze werd wel ondertekend, maar er werden geen geïndividualiseerde afspraken vastgelegd. De algemene functiebeschrijving werd pas op 16 maart 2015 een eerste maal summier geïndividualiseerd en een tweede maal op 22 juni 2018.

De Kamer voor het gesubsidieerd officieel onderwijs van het college van beroep stelt vast dat de evaluatieprocedure die leidt tot de eerste evaluatie met eindconclusie ‘onvoldoende’ op 6 februari 2018 regelmatig verloopt en dat verwerende zich veel inspanningen heeft getroost om verzoekende partij op een beter onderwijspad te krijgen.

Maar de aanloop naar de tweede evaluatie verloopt niet goed. Er zijn weliswaar nauwelijks klasbezoeken. Er is een functioneringsgesprek op 22 juni 2018 o.a. om de functieomschrijving aan te passen. Er vonden geen functioneringsgesprekken plaats in de schooljaren 2018-2019 en 2019-2020, behalve één zeer beperkt op 14 maart 2019 dat volgens verzoekende partij enkel een ontmoetingsmoment was, maar dat kan gelden als een kort functioneringsgesprek. Verwerende partij was zich ervan bewust dat er voor de volgende evaluatie nog een ernstig functioneringsgesprek moest plaats vinden dat verzoekende partij voldoende tijd moest geven om te remediëren. Het aanvankelijk geplande gesprek in februari 2020 is niet doorgegaan. En het volgende geplande functioneringsgesprek van 26 maart 2020 ging ook niet door de perikelen met de corona-epidemie. Ondanks de onderbreking van normale lesactiviteiten ten gevolgen van de corona-epidemie is verwerende partij vervolgens zonder meer overgegaan tot een evaluatiegesprek dat uitmondde in de negatieve evaluatie. Verzoekende partij kan gevolgd worden in haar zienswijze dat omwille van de ernstige gevolgen van een tweede evaluatie met eindconclusie ‘onvoldoende’ van het personeelslid, nl. het ontslag, de tweede evaluatie diende te worden voorafgaan door een tijdig en grondig functioneringsgesprek dat verzoekende partij de reële mogelijkheid bood om na de eerste evaluatie met eindconclusie ‘onvoldoende’ haar functioneren bij te sturen. Dit is ten onrechte niet gebeurd. Het beroep tegen de (tweede) evaluatie met eindconclusie ‘onvoldoende’ is terecht.

Ten onrechte accentueert verwerende partij dat het personeelslid toch meer initiatief had kunnen nemen om een functioneringsgesprek aan te vragen; het initiatief daartoe behoort uit te gaan van de evaluator in samenspraak met de directie van de school, met andere woorden van verwerende partij zelf.

 

2020-04  pdf bestandCvB_GOO_beslissing_04_2020.pdf (110 kB)                      

Feit: 

evaluatie.

Bestreden beslissing:

evaluatie met eindconclusie ‘onvoldoende’.

Beslissing:

8 oktober 2020 – het college van beroep bevestigt de bestreden beslissing.

Grond van de zaak:

In het algemeen verwijt verzoekende partij verwerende partij, eerste evaluator en tevens directeur van de Academie, een zeker pestgedrag. De verzoekende partij heeft wel een gesprek bij de preventiedienst Premed gehad maar verwerende partij heeft hieromtrent nooit iets vernomen. Dit pestgedrag blijkt ook niet uit het dossier. Zo blijkt dat verzoekende partij meermaals vacatures heeft ontvangen, maar hierop niet is ingegaan. De betwisting door verzoekende partij die vacatures te hebben ontvangen wordt tegengesproken voor het schooljaar 1992-1993 door de verlofaanvraag van verzoekende partij van 18 juni 2014. Verder kwam verwerende partij ten gunste tussen voor verzoekende partij wanneer zij op personeelsvergaderingen bekritiseerd werd door haar collega’s inzake de evaluatie van gezamenlijke leerlingen.

De Kamer voor het gesubsidieerd officieel onderwijs van het college van beroep kan deze grief van verzoekende partij niet onderschrijven.

Zij verwijt de inrichtende macht gebrek aan ondersteuning. Verwerende partij betwist het gebrek aan ondersteuning. Zij wijst o.m. op een verbeterde geluidsinstallatie, verbeterd materiaal, digitale ondersteuning, beperking van de klasgrootte, het bieden van navormingskansen, het overnemen van de financiële administratie, enz. Verwerende partij verwijst ook naar de pedagogische begeleiding op haar initiatief vanuit OVSG in 2015.

De Kamer kan deze grief van verzoekende partij niet bijtreden.

Verzoekende partij voert aan dat de evaluatie niet werd gezien als een constructief beleidsinstrument en het evaluatiegesprek niet bedoeld was om het functioneren van het personeelslid te ondersteunen. Het dossier spreekt deze grief tegen. Het functioneringsgesprek maakt deel uit van de evaluatie. Uit het verslag van het functioneringsgesprek van 18 maart 2016 blijkt dat de eerste evaluator, onder meer onder de onderscheiden punten “Aanpak”, tal van verbeteringssuggesties heeft geformuleerd. Analoog geldt dit voor de punten “Aanpak” in het functioneringsverslag van 7 juni 2019. De finale redactie van dit verslag verliep niet zonder enig moeite. Ook het evaluatieverslag van 25 juni 2020 biedt handvaten voor een beter functioneren van verzoekende partij. 

De Kamer voor het gesubsidieerd  officieel onderwijs van het college van beroep kan deze grief van verzoekende partij niet onderschrijven.

Verzoekende partij betwist in haar beroepsschrift puntsgewijs haar evaluatie. Verwerende partij beantwoordt eveneens puntsgewijs de betwistingen door verzoekende partij in haar verweerschrift. De repliek van verwerende partij is relevant. Soms blijkt uit de argumentatie van verzoekende partij dat het door de evaluator als minpunt aangevoerde functioneren wordt toegegeven, maar er een aanvaardbare reden voor bestaat bv. het indelen van elk lesuur in lesfasen. Het verminderde zangvolume van de stem van verzoekende partij heeft volgens haar een medische oorzaak.

De onenigheid tussen partijen komt neer op een welles-nietes discussie waar de Kamer niet uitgeraakt tenzij een grondig onderzoek in te stellen en de evaluatie over te doen. Dit is niet de bevoegdheid van het college van beroep. In casu blijkt dat de evaluatiebeslissing op een zorgvuldige en kwaliteitsvolle manier is gebeurd. De evaluatie overschrijdt de grenzen van de redelijkheid niet.

Uit het dossier blijkt ten overvloede dat er tussen de partijen ook onvrede bestaat over het wederzijdse functioneren in de muziekacademie en dat verzoekende partij soms moeite lijkt te hebben een aantal beslissingen van de directeur te aanvaarden. De onenigheid tussen de partijen blijkt ook uit het verwijt dat verwerende partij pestgedrag zou vertonen. Wellicht dienen beide partijen stappen te zetten om de conflictuele punten in hun werkrelatie, die reeds lang stand houden, op te lossen.

 

2020-03  pdf bestandCvB_GOO_beslissing_03_2020.pdf (76 kB)                     

Feit: 

evaluatie.

Bestreden beslissing:

evaluatie met eindconclusie ‘onvoldoende’.

Beslissing:

26 augustus 2020 – het beroep is onontvankelijk.

Grond van de zaak:

Het college van beroep stelt vast dat onderhavig beroep niet bestemd is voor het college van beroep gesubsidieerd officieel onderwijs. Het betreft een beroep tegen een evaluatie met eindconclusie ‘onvoldoende’ voor een contractuele opdracht als werknemer krachtens een individuele arbeidsovereenkomst bij een gemeente. Verzoekende partij behoort niet tot het gesubsidieerde personeel werkzaam in het onderwijs. De rechtspositieregeling, met inbegrip van de evaluatieregeling, van het gesubsidieerd onderwijs personeel is niet van toepassing.

Het college van beroep is derhalve niet bevoegd. Het beroep is onontvankelijk.

Het college van beroep komt niet toe aan de grond van de zaak.

 

2020-02  pdf bestandCvB_GOO_beslissing_02_2020.pdf (82 kB)                      

Feit: 

evaluatie.

Bestreden beslissing:

evaluatie met eindconclusie ‘onvoldoende’.

Beslissing:

26 augustus 2020 – het college van beroep vernietigt de bestreden beslissing.

Grond van de zaak:

De kamer voor het gesubsidieerd officieel onderwijs van het college van beroep kan er niet om heen dat verwerende partij ten aanzien van verzoekende partij, met een weliswaar kleine deeltijdse benoeming, op het procedurele vlak geen correcte evaluatie heeft doorgevoerd.

Om te beginnen hebben de evaluatoren geen behoorlijk administratief dossier overgemaakt aan de kamer voor het gesubsidieerd officieel onderwijs van het college van beroep.

Verder is er weliswaar een (niet ondertekende) algemene functieomschrijving voor de secretariaatsmedewerkers, maar er ligt geen geïndividualiseerde functieomschrijving van verzoekende partij voor. Een personeelslid voor wie geen correcte geïndividualiseerde functieomschrijving werd opgesteld kan niet worden geëvalueerd.

Op 12 februari 2020 heeft er blijkbaar een functioneringsgesprek plaats gevonden, waar onder meer een opleiding om de schrijfvaardigheid te verbeteren en het defensieve gedrag ten aanzien van de directeur aan bod zijn gekomen. Volgens verzoekende partij werd het betreffende verslag door haar ondertekend maar zou die handtekening nietig zijn omdat de handtekening gezet zou zijn onder dreiging van een ontslag. Van dit functioneringsgesprek ligt geen behoorlijk ondertekend verslag voor en het is ook niet helemaal duidelijk op welke arbeidsrelatie van verzoekende partij dit verslag betrekking heeft.

Er ligt geen behoorlijk verslag voor van het evaluatiegesprek van 22 juni 2020 waarin de evaluatie met eindconclusie “onvoldoende” werd gegeven.

De procedurele gebreken maken dat de evaluatie “onvoldoende” voor de ambtelijke vaste benoeming voor 2/38 moet worden vernietigd.

 

2020-01  pdf bestandCvB_GOO_beslissing_01_2020.pdf (137 kB)                      

Feit: 

evaluatie.

Bestreden beslissing:

evaluatie met eindconclusie ‘onvoldoende’.

Beslissing:

26 augustus 2020 – het college van beroep vernietigt de bestreden beslissing.

Grond van de zaak:

De kamer van het college van beroep is van oordeel dat er geen voldragen behoorlijke evaluatieprocedure is doorlopen die de evaluatie ‘onvoldoende’ verantwoordt.

Er is weliswaar aanvangsbegeleiding geweest maar die geeft geen duidelijk beeld omtrent het functioneren van verzoekende partij. Het is duidelijk dat de inrichtende macht pas werkelijk in actie komt op 20 januari 2020, namelijk het moment dat haar de facebook cartoons worden gemeld. De teksten/afbeeldingen op facebook hebben op zichzelf geen aantoonbare commotie veroorzaakt in de schoolgemeenschap en hebben het functioneren van de verzoekende partij op zichzelf niet aangetast.

Op dat ogenblik was er nog geen geïndividualiseerde functieomschrijving opgemaakt. Deze wordt pas na het incident opgemaakt op 21 januari 2020 en blijft een algemeen model met de schrapping van een aantal punten. De geïndividualiseerde functieomschrijving is nochtans van essentieel belang voor de evaluatie van het personeelslid. Het gesprek op 21 januari 2020 over het facebookincident kan niet ernstig worden beschouwd als een functioneringsgesprek en wordt door de inrichtende macht dan ook gekwalificeerd als ‘Feitenmelding’. De functieomschrijving werd later niet aangepast.

Het eerste functioneringsgesprek vindt plaats op 28 mei 2020. In de conclusie worden uitdagingen aangestipt over de klaspraktijk, de vakgroepwerking, de nascholing, de communicatie met leerlingen en ouders, waarbij wordt onderstreept dat racistische uitlatingen niet kunnen. Het functioneringsgesprek verdisconteert niet duidelijk de impact van de schorsing van de normale schoolactiviteiten wegens de corona-epidemie.

Dit eerste functioneringsgesprek krijgt geen normaal vervolg. De evaluatoren reiken geen instrumenten aan om aan eventuele pedagogische minpunten in het functioneren te remediëren. Verzoekende partij krijgt niet de kans om een positief gevolg te geven aan de bevindingen van het functioneringsgesprek. Gelet op de korte periode tussen het enige functioneringsgesprek op 28 mei 2020 en het evaluatiegesprek op 9 juni 2020 is een deugdelijke en ernstige evaluatie onmogelijk. De uiterst geringe tussenperiode in een periode van schorsing van de schoolactiviteiten in de school maakt het onmogelijk de vroegere afspraken tijdens het functioneringsgesprek te toetsen. De uiterst geringe tussenperiode van anderhalve week tussen het functioneringsgesprek en het evaluatiegesprek maakt het de evaluatoren onmogelijk het personeelslid de nodige coaching te geven.

De evaluatie kan in casu niet beschouwd worden als een constructief en positief beleidsinstrument dat gericht is op het verstrekken van kwaliteitsvol onderwijs.