Beslissingen Kamer van Beroep 2021 - Gemeenschapsonderwijs

2021-04 pdf bestandKVB_GO_beslissing04_2021.pdf (80 kB)

Feiten:

- verjaring
- niet-constructieve, zelfs negatieve houding op de klassenraad waarbij men hevig te keer ging over leerlingen , in die mate dat verschillende collega’s zich bedreigd en geïntimideerd voelden.
- provocatieve houding tijdens incident met leerling waarbij men via agressieve lichaamstaal mede aanleiding gaf tot escalatie van dit in se banaal incident tot een scheldpartij, terwijl men het incident middels een pedagogisch verantwoorde aanpak in de kiem had kunnen smoren en het nu een leerling was die moest tussenkomen om te vermijden dat het tot een handgemeen kwam.

Bestreden beslissing:

schorsing gedurende één week

Beslissing kamer van beroep: 

30 maart 2021 - de kamer van beroep vervangt de tuchtstraf  “schorsing voor één week” door de tuchtstraf “schorsing gedurende drie dagen”.

Grond van de zaak:

De verzoeker voert in eerste instantie de verjaring van de tuchtvordering aan.

Het begrip “vaststelling of kennisneming” wordt in de reglementering niet nader gedefinieerd. De Kamer heeft zich steeds gealigneerd op de unanieme rechtsleer en rechtspraak waarin gesteld wordt dat, zo het zeker niet betekent dat er een duidelijk bewijs voorligt zoals dat bij de definitieve beslissing over de tuchtzaak vereist wordt, er toch voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens moeten voorliggen die toelaten om met kennis van zaken een tuchtonderzoek op te starten. Dit om te vermijden dat al te lichtzinnig, louter op basis van geruchten, speculaties of onzekere gegevens, een tuchtprocedure wordt aangevat. Is een aangelegenheid onmiddellijk waarneembaar als tuchtfeit, dan valt de kennisneming samen met de vaststelling; in het andere geval zullen de gegevens van het dossier moeten uitwijzen wanneer er een voldoende kennis was om een tuchtzaak op te starten. In laatstgenoemd geval mag het bestuur zich, vooraleer het standpunt inneemt over het opstarten van een tuchtvordering, informeren; de verjaringstermijn loopt dan vanaf het ogenblik dat het over voldoende informatie beschikt.

Artikel 19, §1, van het besluit van 22 maart 1991 spreekt van de vaststelling of de kennisneming van een tuchtfeit “door de tuchtoverheid”. Hier is dit de raad van bestuur, een orgaan dat collegiaal beraadslaagt en beslissingen neemt. Bij uitbreiding wordt wel aangenomen dat de vaststelling of de kennisneming van strafbare feiten door één lid van een tuchtorgaan kan gelden als een kennisneming door het hele orgaan.

Betrokken op de feiten:
- feit 2(kennisneming van hoeveelheid aan feiten ivm incident in de turnzaal) is niet verjaard.
- ten aanzien van feit 1, het verloop van de klassenraad. De vaststelling van de feiten door de schooldirecteur op de klassenraad zelf vormen het startpunt van de verjaringstermijn. Dit is meer dan zes maanden voor de opstart van de tuchtprocedure door de raad van bestuur. Dit feit is verjaard.

Subsidiair aan het hierboven vermeld standpunt inzake de verjaring van de tuchtvordering op dit punt, is de Kamer van beroep van oordeel dat het dossier onvoldoende gegevens bevat om de tussenkomst van de verzoeker op de klassenraad van 17 en 18 februari 2020 als een tuchtfeit aan te houden.

De Kamer van beroep is van oordeel dat de verzoeker zich niet pedagogisch verantwoord gedragen heeft in de woordenwisseling met de leerling. Dit is een vergrijp dat niet door de beugel kan. Om de verzoeker aan te sporen zich in de toekomst verantwoordelijker te gedragen en de omwereld duidelijk te maken dat het foutief gedrag van de verzoeker effectief gestraft wordt, acht de Kamer van beroep het gepast hem een schorsing op te leggen. Door de duur ervan te beperkten tot drie dagen, wenst de Kamer van beroep aan te geven dat zij begrip heeft voor de moeilijkheden die de verzoeker ervaren heeft bij de opvoeding van moeilijke leerlingen, in de hoop dat hij zich in de toekomst professioneler zal gedragen wanneer hij door leerlingen uitgedaagd wordt.

 

2021-03 pdf bestandKVB_GO_beslissing03_2021.pdf (69 kB)

Feiten:

- verjaring
- niet-constructieve, zelfs negatieve houding op de klassenraad waarbij men collega bijviel in zijn hevige aanval op leerling waarbij sommige collega’s zich geïntimideerd voelden;
- houding tijdens incident met leerling, waarbij men buitensporig en op een niet pedagogische wijze reageerde (met termen als “klootzakken” en dreigementen met de klassenraad) toen  men een bal tegen zich aangeschopt kreeg en u nadien tijdens de bespreking met leerling een provocatieve houding aannam tegenover de leerling door hem te filmen toen hij in een discussie verwikkeld was met  collega.
- cynisch smartschoolbericht aan directeur waarbij men haar “bedankt” voor het herstelgesprek met leerling “dat natuurlijk nooit is doorgegaan”.

Bestreden beslissing:

schorsing gedurende drie dagen

Beslissing kamer van beroep: 

30 maart 2021 - de kamer van beroep bevestigt de tuchtstraf “schorsing gedurende drie dagen”.

Grond van de zaak:

De verzoeker voert in eerste instantie de verjaring van de tuchtvordering aan.

Het begrip “vaststelling of kennisneming” wordt in de reglementering niet nader gedefinieerd. De Kamer heeft zich steeds gealigneerd op de unanieme rechtsleer en rechtspraak waarin gesteld wordt dat, zo het zeker niet betekent dat er een duidelijk bewijs voorligt zoals dat bij de definitieve beslissing over de tuchtzaak vereist wordt, er toch voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens moeten voorliggen die toelaten om met kennis van zaken een tuchtonderzoek op te starten. Dit om te vermijden dat al te lichtzinnig, louter op basis van geruchten, speculaties of onzekere gegevens, een tuchtprocedure wordt aangevat. Is een aangelegenheid onmiddellijk waarneembaar als tuchtfeit, dan valt de kennisneming samen met de vaststelling; in het andere geval zullen de gegevens van het dossier moeten uitwijzen wanneer er een voldoende kennis was om een tuchtzaak op te starten. In laatstgenoemd geval mag het bestuur zich, vooraleer het standpunt inneemt over het opstarten van een tuchtvordering, informeren; de verjaringstermijn loopt dan vanaf het ogenblik dat het over voldoende informatie beschikt.

Artikel 19, §1, van het besluit van 22 maart 1991 spreekt van de vaststelling of de kennisneming van een tuchtfeit “door de tuchtoverheid”. Hier is dit de raad van bestuur, een orgaan dat collegiaal beraadslaagt en beslissingen neemt. Bij uitbreiding wordt wel aangenomen dat de vaststelling of de kennisneming van strafbare feiten door één lid van een tuchtorgaan kan gelden als een kennisneming door het hele orgaan.

Betrokken op de feiten:
- feit 2(kennisneming van hoeveelheid aan feiten ivm incident in de turnzaal) is niet verjaard.
- ten aanzien van feit 1, het verloop van de klassenraad. De vaststelling van de feiten door de schooldirecteur op de klassenraad zelf vormen het startpunt van de verjaringstermijn. Dit is meer dan zes maanden voor de opstart van de tuchtprocedure door de raad van bestuur. Dit feit is verjaard.

Subsidiair aan het hierboven vermeld standpunt inzake de verjaring van de tuchtvordering op dit punt, is de Kamer van beroep van oordeel dat het dossier onvoldoende gegevens bevat om de tussenkomst van de verzoeker op de klassenraad van 17 februari 2020 als een tuchtfeit aan te houden.

De Kamer van beroep is van oordeel dat de verzoeker, inzonderheid wat betreft de feiten opgenomen in de tweede tenlastelegging, blijk gegeven heeft van onprofessioneel en laakbaar gedrag. Gewis kan aangenomen worden dat, wanneer een leerling het klimaat verzuurt, een leraar corrigerend optreedt, maar in dit geval heeft de verzoeker zich onmiskenbaar aan een overreactie schuldig gemaakt. Zijn mail aan de schooldirectrice en de algemeen directeur gaat in dezelfde richting, al kan men daarbij de -enigszins vergoelijkende- bedenking maken dat de tekst mogelijks geïnspireerd is door een als eigengereid en onwillig ervaren houding van de schooldirectie.

De Kamer van beroep is van oordeel dat de bewezen feiten een schorsing rechtvaardigen. Zij ziet, uitgaand van de ernst van de aangehouden inbreuken, geen reden om de duur van de schorsing te verminderen.

 

2021-02 pdf bestandKVB_GO_beslissing02_2021.pdf (68 kB)

Feiten:

- niet tijdig en volgens afspraak doorsturen van de examenopdrachten waardoor het examen diende verplaatst te worden;
- het stellen van volstrekt onprofessioneel en incorrect gedrag tijdens  klaspraktijk en binnen opdracht als leraar (voor leerlingen als ongepast aanvoelende uitspraken doen over zelfmoord; in de klas gooien met/op  de bank van een leerling leggen van gebruikte zakdoeken; citaten uit het leerlingenvolgsysteem in de klas voorlezen; het, al dan niet bij wijze van grap, geven van medicatie aan leerling)
- Het stellen van misplaatst gedrag tijdens oudercontact.

Bestreden beslissing:

schorsing gedurende vijf maanden

Beslissing kamer van beroep: 

30 maart 2021 - de kamer van beroep vervangt de tuchtstraf “schorsing gedurende vijf maanden” door de tuchtstraf “afhouding van wedde voor 10% gedurende 1 maand”.

Grond van de zaak:

De Kamer van beroep stelt vast dat geen betwisting bestaat over het bestaan van de verschillende feiten op zich. Alles draait rond de beoordeling ervan als laakbaar tuchtfeit. De eerste en de derde tenlastelegging worden niet als een tuchtfeit aangehouden. De tweede tenlastelegging, geïllustreerd door vier feiten, vormt daarentegen wel een tuchtfeit.

De Kamer van beroep is van oordeel dat de verzoeker een tuchtstraf verdient voor het vertonen van onprofessioneel en incorrect gedrag als leraar. Zij hoopt met de raad van bestuur dat hij het foutieve van zijn optreden inziet en dat deze tuchtstraf de aanzet mag zijn om zich met volle inzet en professionaliteit in te zetten voor de opvoeding van de hem toevertrouwde leerlingen, zo wat zijn leeropdracht als zijn omgang met leerlingen betreft.

De opgelegde tuchtstraf van vijf maanden schorsing komt de Kamer van beroep evenwel disproportioneel streng voor. Vooreerst is er de vaststelling dat de verzoeker sinds 7 januari 2020 preventief geschorst is en dat het bestuur na de vraag tot onderzoek aan de Onderzoekscel GO!, in de periode van 22 januari 2020 tot 30 november 2020 geen enkele onderzoeks- of proceduredaad gesteld heeft om de tuchtzaak op enige wijze vooruit te helpen. Vervolgens is er de vaststelling dat de feiten, die de aangehouden tenlastelegging onderbouwen, allen dagtekenen van een vorig schooljaar en dat blijkbaar in die tijd niemand er aan gedacht heeft om de feiten als tuchtvergrijpen aan de orde te stellen, maar ze enkel op te rakelen toen op 19 december 2019 een en ander misliep met het oudercontact.

De Kamer van beroep vindt, rekening houdend met de pasvermelde omstandigheden en met het feit dat de verzoeker in zijn opvoedende taak als leraar tekort geschoten is, een afhouding van wedde een aangepaste straf. Een beperkte afhouding -te dezen 10% van de wedde gedurende 1 maand- is in redelijke verhouding met de ernst van de bewezen tenlastelegging en wordt op dit ogenblik voldoende geacht opdat de verzoeker het verleden -waarin hij blijkens het dossier inderdaad duidelijk blijk gegeven heeft van bekritiseerbaar functioneren- achter zich te laten en zich optimaal in te zetten voor een kwaliteitsvolle onderwijsverstrekking.

 

2021-01 pdf bestandKVB_GO_beslissing01_2021.pdf (42 kB)

Feiten:

verzoeker wordt verdacht van malversaties met de facturatie voor werken voor derden toen hij TA was

Bestreden beslissing:

preventieve schorsing

Beslissing kamer van beroep: 

2 maart 2021 - de kamer van beroep bevestigt de preventieve schorsing

Grond van de zaak:

De Kamer van beroep komt tot het besluit dat het dossier te weinig concrete gegevens bevat die toelaten te stellen dat het belang van het onderwijs of van de dienst vereist dat de verzoeker voor de duur van de tuchtvordering uit de school verwijderd wordt. Evenwel, acht slaand op artikel 59, §3, van het decreet rechtspositie personeel gemeenschapsonderwijs, vermag de Kamer van beroep de opgelegde preventieve schorsing slechts vernietigen “bij unanimiteit”. Die decretale verplichting primeert op de overwegingen die binnen de Kamer van beroep naar voren komen.